De gemeente kan een voorziening geheel of gedeeltelijk beëindigen als:
de voorziening niet langer passend of nodig is;
u zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden;
de gemeente niet langer kan beoordelen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat u niet of onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening;
de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van u;
de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld; of
het gemeentelijk beleid is gewijzigd, en u daarom niet meer in aanmerking komt voor een voorziening. De gemeente houdt dan wel rekening met een redelijke overgangsperiode;
u binnen 3 maanden geen gebruik maakt van de voorziening, tenzij u hier niets aan kan doen.
De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken).
Hoofdstuk 9 › Paragraaf 9.4
Artikel 9.4.1