**1..** Het college verstrekt een individuele voorziening jeugdhulp uitsluitend indien uit het onderzoek als bedoeld in hoofdstuk 4 blijkt dat:
de jeugdige of zijn ouders de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen niet op eigen kracht, al dan niet met ondersteuning vanuit het sociale netwerk, kunnen oplossen;
de hulpvraag niet kan worden beantwoord met gebruikelijke hulp;
een voorliggende of andere voorziening, waaronder voorzieningen op grond van de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of het onderwijs, niet passend of toereikend is; en
de voorziening noodzakelijk is, gelet op de aard en ernst van de problematiek, en de goedkoopst adequate oplossing betreft.
**2..** Het college toetst de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in hoofdstuk 4 aan de in het eerste lid genoemde criteria alvorens een beschikking af te geven. Het college motiveert in de beschikking op welke wijze de in dit artikel genoemde criteria zijn meegewogen.
**3..** Bij de beoordeling van de goedkoopst adequate voorziening motiveert het college op welke wijze is vastgesteld dat de gekozen voorziening toereikend en passend is voor het bereiken van het beoogde resultaat. Het college toont daarbij aan dat met de goedkopere voorziening in het concrete geval een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt als met andere beschikbare voorzieningen.
**4..** Het college hanteert bij de toepassing van dit artikel een toetsingskader. Dit toetsingskader wordt uitgewerkt in beleidsregels en bevat nadere bepalingen over de wijze waarop de criteria en de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 5.4 worden toegepast.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.2
Criteria toekenning
Onderdeel van Verordening jeugdhulp gemeente Culemborg 2026