Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.4

Weigeringsgronden

Onderdeel van Verordening jeugdhulp gemeente Culemborg 2026

1.. Het college weigert een individuele voorziening jeugdhulp indien: de jeugdige en/of zijn ouders de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen op eigen kracht, al dan niet met ondersteuning vanuit het eigen sociale netwerk, kunnen oplossen; de hulpvraag kan worden beantwoord met gebruikelijke hulp; daaronder wordt mede begrepen bovengebruikelijke hulp in kortdurende situaties, tenzij sprake is van (dreigende) overbelasting van de ouder(s); een voorliggende of andere voorziening, waaronder in ieder geval voorzieningen op grond van de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of het onderwijs, passend en toereikend is; de aangevraagde voorziening niet noodzakelijk is, gelet op de aard en ernst van de problematiek; de voorziening niet de goedkoopst adequate oplossing betreft; de voorziening niet de goedkoopst adequate oplossing betreft, waarbij het college beoordeelt of de goedkopere voorziening in het concrete geval toereikend en passend is; de aanvraag betrekking heeft op kosten die zijn gemaakt vóór de hulpvraag of aanvraag, tenzij toepassing wordt gegeven aan de bepaling inzake toekenning met terugwerkende kracht; de aangevraagde voorziening betrekking heeft op ondersteuning die niet behoort tot het doel van de jeugdhulp, zoals voorzieningen die uitsluitend gericht zijn op gemak, comfort of luxe; de aangevraagde ondersteuning buiten Nederland zal worden verleend, tenzij het college oordeelt dat dit een bijzondere bijdrage levert aan het beoogde resultaat en voor zover dit niet in strijd is met de Jeugdwet; de hulp (deels) wordt vergoed vanuit een aanvullende zorgverzekering en het redelijk is dat de jeugdige of ouder deze verzekering aanspreekt; gekozen wordt voor een niet-gecontracteerde aanbieder zonder voorafgaande toestemming van het college, als bedoeld in hoofdstuk 3; de voorziening reeds op andere wijze wordt bekostigd, of dubbele financiering zou ontstaan. 2.. Het college kan een aanvraag voorts weigeren indien de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende medewerking verlenen aan het onderzoek als bedoeld in hoofdstuk 4, tenzij dit hen redelijkerwijs niet kan worden verweten. 3.. Een weigering op grond van dit artikel wordt door het college deugdelijk gemotiveerd, met inachtneming van het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb) en het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 Awb). Het college weegt in elk individueel geval de omstandigheden van de jeugdige en diens ouder(s) af en motiveert waarom de gekozen afwijzing proportioneel is in verhouding tot het beoogde doel. 4.. Het college kan ter uitvoering van dit artikel beleidsregels vaststellen waarin nadere invulling wordt gegeven aan de toepassing van de weigeringsgronden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel