Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk III

Artikel 10.

Weigerings- en intrekkingsgronden

Onderdeel van Algemene subsidieverordening Nieuwegein 2026

1.. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb weigert het college de subsidie in ieder geval: als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt, of als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard. 2.. Onverminderd het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat: subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader. 3.. Onverminderd de vorige leden kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren: als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen; als de aanvrager zonder de subsidie over voldoende eigen middelen of middelen van derden kan beschikken om de kosten van de activiteiten te kunnen dekken; als de activiteit niet of onvoldoende bijdraagt aan de realisering van het met de subsidie beoogde doel; als de subsidieverstrekking niet past binnen het voor het betreffende beleidsterrein vastgestelde beleid of daarin onvoldoende prioriteit heeft; als de organisatorische dan wel financiële continuïteit van de aanvrager onvoldoende gegarandeerd is; als de activiteiten en/of beoogde doelen reeds voldoende worden uitgevoerd en nagestreefd door één of meerdere andere organisaties; als de activiteiten van de aanvrager onvoldoende zijn afgestemd met die van relevante organisaties en er te weinig samenwerking wordt beoogd met die relevante organisaties; als de activiteiten gericht zijn op het maken van winst; als de kosten onevenredig hoog zijn in verhouding tot de te leveren prestaties of de te bereiken doelgroep; als de activiteiten gericht zijn op het uitdragen van levensbeschouwelijke of politieke opvattingen; wanneer de subsidieverstrekking in strijd is met een wettelijk voorschrift; als voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, onvoldoende middelen op de gemeentelijke begroting beschikbaar zijn gesteld; in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; als de aanvraag niet tijdig is ingediend zoals opgenomen in artikel 8 van deze verordening en het college niet afwijkt van de termijn; in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen. 4.. Het college kan een subsidie in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel