Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.5 en 4.5.6 zijn ook van toepassing.
Code
Omschrijving eis/uitgangspunt
Toelichting / verwijzing
Algemeen
5.6.1-1
Ondergrondse-/bovengrondse containers worden gebruikt voor gescheiden inzamelen van rest en afvalstoffen.
Papier, GFT, plastic, glas, textiel
5.6.1-2
De betonnen onderbak van ondergrondse containers zijn van de gemeente. De technische installatie is van de inzamelaar HVC.
HVC zamelt het afval in tot 2030. De technische installatie wordt bepaald door HVC. Zie Bijlage 5 – Type ondergrondse container voor het meest gebruikte type.
5.6.1-3
De locatie van ondergrondse containers (2,5 meter x 2,5 meter) dient vrij te zijn van kabels en leidingen.
Voor de eerste inventarisatie van mogelijke locaties voor ondergrondse restafvalcontainers-op-afstand, zal voor de aanwezigheid van kabels en leidingen gebruik worden gemaakt van de KLIC-kaarten van de ondergrond. Wanneer de locaties definitief zijn bepaald, kan - indien er twijfel bestaat - door middel van proefsleuven de daadwerkelijke situatie ter plaatse met betrekking tot kabels en leidingen worden vastgesteld.
5.6.1-4
De containers worden niet geplaatst op locaties waar lediging betekent dat hoofdroutes van verkeer volledig geblokkeerd worden.
5.6.1-4
Hulpdiensten mogen nooit belemmerd worden doordat er een lediging van een container plaatsvindt.
uitzonderingen dienen in kaart gebracht te worden.
5.6.1-5
Bij plaatsing van containers worden bomen en groen ontzien.
Voor bomen geldt dat er zonder werkplan bomen niet gegraven mag worden binnen de kwetsbare boomzone (kroonprojectie + 1,5 m). Hiermee wordt onherstelbare schade voorkomen en kunnen we ook in de toekomst voldoende stabiliteit voor de boom garanderen.
Gebruikers
5.6.1-7
De dichtheid waarin de ondergrondse restafvalcontainers-op-afstand zullen worden geplaatst is 1 container op maximaal 125 huishoudens.
5.6.1-8
Het streven is dat de afstand van een woning naar de dichtstbijzijnde inzamelvoorziening voor restafval maximaal 250 meter is.
De afstand is bij gestapelde bouw gemeten vanaf de centrale entree tot de inzamelvoorziening en bij laagbouw vanaf de dichtstbijzijnde erfgrens tot de inzamelvoorziening. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de daadwerkelijke looproute. In bijzondere situaties kan worden afgeweken van de hiervoor genoemde normen.
5.6.1-9
Ondergrondse glascontainers hebben een dichtheid van één ondergrondse glascontainers op circa 750 woonhuisaansluitingen.
5.6.1-10
De locatie mag niet belemmerend zijn voor de doorgang van weggebruikers (zoals rolstoelgebruikers, kinderwagens, etc.).
Omgeving
5.6.1-18
Bij de bepaling van geschikte containerlocaties wordt het opofferen van parkeerplaatsen zoveel mogelijk voorkomen.
5.6.1-19
Er mogen geen hoge objecten zoals bomen, lichtmasten en dergelijke aanwezig zijn die een belemmering kunnen vormen voor het legen van de inzamelvoorzieningen.
5.6.1-20
Bestrating aan de rijzijde van ondergrondse containers dient in dikke tegels of betonstraatstenen uitgevoerd te worden.
8 cm tegels, dubbelklinkers, betonstraatstenen. Overwegen of de fundering ook verbeterd moet worden.
5.6.1-21
De inzamelvoorziening mag geen belemmering vormen voor de verkeersveiligheid ter plaatse.
De inzamelvoorziening niet in een scherpe of onoverzichtelijke bocht plaatsen.
De inzamelvoorziening is niet op of direct bij een kruising gelegen.
Locaties afstemmen met de verkeerskundigen van de gemeente.
Legen
5.6.1-22
De inzamelvoorziening moet zodanig gelegen zijn dat het inzamelvoertuig altijd in voorwaartse richting kan aan- en wegrijden.
bij een doodlopende weg moet het eind zijn voorzien van een draaipunt ten behoeve van het inzamelvoertuig.
5.6.1-23
De inzamelvoorziening dient niet in een scherpe of onoverzichtelijke bocht geplaatst te worden.
5.6.1-24
De inzamelvoorziening is niet op of direct bij een kruising gelegen. De situatie dient in ieder geval verkeersveilig te zijn
5.6.1-25
De inzamelvoorziening moet zodanig gelegen zijn dat het inzamelvoertuig niet over geparkeerde wagens kraant.
5.6.1-26
De afstand van de zijkant van het inzamelvoertuig tot het hart van de container mag maximaal 5 meter zijn.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.1.5.1
Artikel 4.5.6.1