Naar hoofdinhoud
Uitgangspunt is dat de jeugdige en/of ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige naar en van de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt twee keer brengen en halen per week in beginsel beschouwd als behorend tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s), tenzij dit financiële problemen oplevert of vanwege eigen beperkingen of (praktische) problemen van de ouders naar het oordeel van het college niet kan worden verwacht. Het college verstrekt alleen een vervoersvoorziening aan de jeugdige voor het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. Het college verstrekt alleen een vervoersvoorziening als: het ingekochte jeugdhulpproduct hier niet al in voorziet; blijkt dat de jeugdige vanwege een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid niet zelfstandig kan reizen én de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of ouder(s) ontoereikend zijn om zelf voor het vervoer te (laten) zorgen. Er is geen sprake van een beperking in de zelfredzaamheid als de ouder(s) hun kind vanwege werkverplichtingen niet van en naar de jeugdhulpaanbieder kunnen vervoeren. Bij het beoordelen van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of ouder(s) worden ook de mogelijkheden en bereidheid meegewogen van iemand uit het sociale netwerk om de jeugdige te vervoeren. Als aan de voorwaarden van vervoer is voldaan, beoordeelt het college welke (combinatie van) vervoersvoorziening(en) het meest passend is. De volgende vervoersvoorzieningen zijn mogelijk: vervoer geregeld door de jeugdhulpaanbieder; een kilometervergoeding voor de ouder(s); een vergoeding voor openbaar vervoer voor de jeugdige en een volwassen begeleider op basis van de afstand enkele reis; en, taxivervoer als een vervoersvoorziening onder a tot en met c niet mogelijk is of als dit goedkoper is. Deze voorzieningen kunnen in natura of met een pgb worden verstrekt. Vervoerskosten worden niet met terugwerkende kracht toegekend. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de manier waarop de voorziening wordt verstrekt en met ingang van welke datum de voorziening of de uitbetaling van de vergoeding plaatsvindt. Ook bepaalt het college de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening of vergoeding. De noodzaak voor een vervoersvoorziening wordt opgenomen in het ondersteuningsplan. Als naar het oordeel van het college een passende jeugdhulpvoorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden. Bij de toekenning van een vervoersvoorziening gaat het college uit van de dichtstbijzijnde locatie van een passende voorziening vanaf het verblijfadres van de jeugdige. Hierop geldt een uitzondering, doch voor maximaal 3 maanden, wanneer het verblijfadres van de jeugdige wijzigt.

Rechtspraak bij dit artikel