De inzet van cameratoezicht op openbare plaatsen door de burgemeester vindt zijn juridische grondslag in artikel 151c, eerste lid, van de Gemeentewet. Deze bepaling biedt de gemeenteraad de bevoegdheid om bij verordening vast te leggen dat het bestuursorgaan burgemeester, indien dit noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde, cameratoezicht kan inzetten op voor het publiek toegankelijke plaatsen.
De gemeenteraad van de gemeente Apeldoorn heeft deze bevoegdheid nader uitgewerkt in de APV, specifiek in de artikelen 2:77 tot en met 2:77D van de APV. Hierin zijn de voorwaarden vastgelegd waaronder het bestuursorgaan burgemeester kan besluiten tot aanwijzing van een gebied voor cameratoezicht, alsmede de procedurele en inhoudelijke vereisten die aan een dergelijk besluit zijn verbonden.
Ten aanzien van de verwerking van de camerabeelden geldt dat deze, conform artikel 151c, achtste en negende lid, van de Gemeentewet, worden aangemerkt als politiegegevens in de zin van de Wpg. De politie is in dit verband aan te merken als verwerkingsverantwoordelijke.
Op basis van deze drieledige wettelijke basis – te weten artikel 151c van de Gemeentewet, de relevante bepalingen van de APV en de Wpg – is het bestuursorgaan burgemeester bevoegd tot het instellen van cameratoezicht op openbare plaatsen ter handhaving van de openbare orde, waarbij de politie verantwoordelijk is voor het verwerken van de camerabeelden.
Hoofdstuk
Artikel 4
Het wettelijk kader
Onderdeel van Beleidsregel cameratoezicht handhaving openbare orde gemeente Apeldoorn 2025