Naar hoofdinhoud
5V’s: Met de vijf V’s worden de habitatvoorwaarden bedoeld die een doelsoort nodig heeft om een geschikte leefomgeving te hebben. Het gaat om Voedsel, Verblijfplaatsen, Verbindingen, Veiligheid en Variatie. Bebouwd oppervlak: Het bruto vloeroppervlak van het hoofdgebouw. Biodiversiteit: Biodiversiteit staat voor soortenrijkdom in dieren en planten. Het gaat daarbij om een mix van genen, soorten (populaties) en ecosystemen (gemeenschappen). Boomkroonoppervlak: De kroon is het gedeelte van de boom boven de takvrije stam. Het boomkroonoppervlak is het horizontale oppervlak van de kruin. Dit kan benaderd worden door de kroon op de grond te projecteren en de inhoud van het oppervlak in vierkante meters te meten. Doelsoorten: Diersoorten die kenmerkend zijn voor een specifiek leefgebied en die dienen als indicator voor de ecologische kwaliteit van het bijbehorende natuurtype. Deze soorten kunnen ook een belangrijke rol spelen bij het selecteren van natuurinclusieve maatregelen die gericht zijn op het verbeteren van de kwaliteit van dit natuurtype. Gebouw: Een bouwwerk dat een voor mens toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijke met wanden omsloten ruimten vormt (conform beschrijving in artikel 1.1 Omgevingswet en de daarbij behorende Bijlage I onderdeel A: begrippen). Gebouwbewonende soorten: Gebouwbewonende soorten zijn diersoorten die zich hebben aangepast aan het leven in of rond door mensen gemaakte structuren, zoals gebouwen, bruggen, en andere constructies. Deze dieren gebruiken gebouwen als hun leefomgeving voor schuilplaatsen, nestplaatsen, of voedselbronnen. Gebouwschil: De gebouwschil is de grens tussen de binnenzijde van een woning of gebouw en de buitenwereld. De gebouwschil bestaat uit de begane vloer, de buitenmuren, de ramen, de kozijnen, de deuren en het dak. Habitat: Een habitat, leefgebied of leefomgeving omvat alle mogelijke plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt. Een habitat voorziet in de biotische en abiotische eisen van het organisme, oftewel: de onderdelen in de leefomgeving die gezamenlijk nodig zijn om een soort zich thuis te laten voelen en te vestigen. Herinrichting: Een gebied opnieuw inrichten, vaak met verankering van ruimtegebruik. Hoofdgroenstructuur: De hoofdgroenstructuur bestaat uit de belangrijkste groengebieden en natuurverbindingen in de gemeente. Natuurinclusief bouwen en inrichten: Natuurinclusief bouwen is een vorm van duurzame ruimtelijke ontwikkeling, waarbij er bewust ruimte voor biodiversiteit wordt gecreëerd op, aan of in het gebouw of de (openbare) omgeving, zodat er meer diverse planten- en diersoorten kunnen leven. Natuurtypen: Een combinatie van abiotische en biotische kenmerken op een bepaalde ruimtelijke schaal die samen een bepaald soort ecosysteem vormen. Natuurwaarden: De waarde die aan een bepaald gebied wordt toegekend, gezien vanuit het perspectief van natuurbescherming en landschapselementen. De term ‘natuurkwaliteit’ wordt hiervoor ook gebruikt. Nieuwbouw: Het nieuw bouwen van een bouwwerk zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Ingrijpende renovatie: Van een ingrijpende renovatie is sprake wanneer meer dan 25 procent van de oppervlakte van de gebouwschil wordt vernieuwd, veranderd of vergroot en deze vernieuwing, verandering of vergroting de integrale gebouwschil betreft. Van een renovatie van de integrale gebouwschil is bijvoorbeeld sprake wanneer een dak of gevel voor meer dan 25 procent volledig wordt opengelegd en vernieuwd. Plangebied: het gebied binnen de plangrenzen zoals aangeduid vanuit ruimtelijke ordening, wat binnen de invloedsfeer van één ontwikkelende partij ligt. Ruimtelijke ontwikkeling: een ontwikkeling waarbij de leefomgeving planmatig wordt benut en (her)ingericht, zoals de realisatie van bedrijventerreinen, woonwijken of een ander bouwplan. Transformatie: Functiewijziging van bestaande bebouwing (bijvoorbeeld van kantoor naar woning).

Rechtspraak bij dit artikel