De cliënt komt pas in aanmerking voor maatschappelijke ondersteuning als er geen oplossing is voor de hulpvraag met gebruikelijke hulp.
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van:
de inwonende echtgenoot;
inwonende ouders;
inwonende kinderen; of,
andere huisgenoten.
Het is de normale, dagelijkse hulp die huisgenoten elkaar onderling moeten bieden, omdat ze samen een duurzaam huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden en voor elkaar.
Het college maakt bij de beoordeling of de (gebruikelijke) hulp van de huisgenoot verwacht mag worden onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:
Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. Het gaat hierbij over een periode van maximaal zes maanden in één jaar.
Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de hulp bij de zelfredzaamheid en/of participatie langer dan zes maanden nodig is.
Het college verwacht van huisgenoten dat zij in kortdurende situaties de benodigde hulp bieden. Het gaat hierbij ook om hulp die meer omvat dan alleen de gangbare gebruikelijke hulp.
Het college verwacht van huisgenoten dat zij in langdurende situaties de gebruikelijke hulp bieden. Wat gebruikelijke hulp is, wordt bepaald aan de hand van de leden 6, 7 en 8.
Bij de beoordeling of sprake is van bovengebruikelijke hulp in kortdurende situaties houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren betreffende de cliënt:
de aard van de relatie met de huisgenoot;
de mate van hulp die cliënt nodig heeft;
de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit;
de mate van planbaarheid van de hulp;
de behoeften en mogelijkheden van de cliënt.
Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp in langdurende situaties houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren betreffende de huisgenoot:
de leeftijd van de huisgenoot;
de woonsituatie;
de beschikbaarheid om de hulp te bieden;
de kennis, kunde en leerbaarheid van de huisgenoot om de noodzakelijke hulp te bieden;
de lichamelijke en mentale belastbaarheid van de huisgenoot.
Bij de belastbaarheid en bij (dreigende) overbelasting geldt bovendien het volgende:
Er moet een verband zijn tussen de (dreigende) (over)belasting en de te bieden gebruikelijke hulp.
Als de (over)belasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de verlening van gebruikelijke hulp om, moet de huisgenoot eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.
Bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.
Als de (dreigende) (over)belasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de huisgenoot verwacht.
Als sprake is van (dreigende) overbelasting van een huisgenoot, wordt geen pgb voor het verlenen van ondersteuning aan de cliënt door deze huisgenoot verstrekt. Een al eerder hiervoor verleend pgb wordt ingetrokken. Een andere zorgverlener wordt ingezet voor de benodigde hulp.
De afweging bij en de beoordeling van gebruikelijke hulp wordt uitgevoerd aan de hand van de richtlijn in bijlage 2.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.12
Gebruikelijke hulp
Onderdeel van Nadere regels jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Gemeente Vlissingen 2026