Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.4

Beoordeling eigen kracht

Onderdeel van Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2026

1.. Ouders en jeugdigen zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning bij opgroei- en opvoedvragen. Zij komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf met de inzet van eigen kracht geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag. Dat vloeit voort uit de verantwoordelijkheid van ouders om hun kinderen te verzorgen en op te voeden (zie ook artikel 1.2). 2.. Onder het inzetten van eigen kracht wordt in ieder geval verstaan: gebruikelijke hulp van ouders. Dat is de hulp waarvan algemeen aanvaard is dat die in redelijkheid van hen mag worden verwacht; hulp van ouders die daar bovenuit gaat (bovengebruikelijke hulp); passende ondersteuning die vanuit het sociale netwerk beschikbaar is; het benutten van andere voorzieningen, zoals een aanvullende zorgverzekering. 3.. Gebruikelijke hulp en kortdurende bovengebruikelijke hulp geven ouders zelf, omdat het onder hun zorgplicht valt. Alleen bij (dreigende) overbelasting of aantoonbare belemmeringen kan het college een voorziening inzetten, als er geen andere oplossingen mogelijk zijn. Het college betrekt daarbij de capaciteiten en de beschikbaarheid van de ouders. De voorziening wordt in beginsel voor korte tijd ingezet, en duurt niet langer dan nodig is om de balans tussen draagkracht en draaglast te herstellen. 4.. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of problemen nodig heeft. Het college houdt in ieder geval rekening met de volgende factoren: de leeftijd van de jeugdige; de handelingen en activiteiten die het betreft en de belasting in tijd en energie die dat voor de ouders oplevert; de mate waarin hulp nodig is en hoe lang die hulp ingezet moet worden; en de behoeften, achtergrond en mogelijkheden van de jeugdige. Het college maakt daarbij gebruik van de uitgangspunten uit de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 bijlage 3, die zijn uitgewerkt in de CIZ indicatiewijzer versie 7.1. 5.. Bij langdurige of structurele hulpvragen houdt het college rekening met: de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige; de voor de jeugdige benodigde hulp en de duur daarvan; de mogelijkheden, draagkracht en draaglast van de ouders; de samenstelling van het gezin, de onderlinge relaties en de woonsituatie; en het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen. 6.. Ook langdurige bovengebruikelijke hulp valt onder de verantwoordelijkheid van de ouders. Van ouders wordt verwacht, dat zij deze hulp bieden, tenzij de balans tussen draagkracht en draaglast in het gezin daardoor zo verstoord raakt, dat dit niet langer van de ouders kan worden verlangd. Aan de hand van de factoren uit het vijfde lid wordt bepaald of dit het geval is. 7.. In het kader van de eigen kracht wordt van de ouders verwacht dat zij zich inspannen om de draagkracht van het gezin te vergroten en de belasting te verminderen. Dit kan bijvoorbeeld door het aanpassen van werktijden, dagstructuur of maatschappelijke activiteiten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel