**1..** Het college beoordeelt of een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 3.5 van de verordening kan worden ingezet, met behulp van een afwegingskader vervoer dat regionaal is vastgelegd. Zie www.zorginregiohartvanbrabant.nl.
**2..** Afwegingsfactoren die bij de beoordeling een rol kunnen spelen zijn:
of de jeugdige in staat is om zelf te reizen;
de aanwezigheid van een auto of de mogelijkheid voor gebruik van het openbaar vervoer;
de tijd die nodig is voor het vervoer en de vraag of er jeugdhulp dichterbij is die ook geschikt is;
het tijdstip waarop de ritten uitgevoerd moeten worden;
het aantal dagen dat vervoer nodig is;
draagkracht en draaglast in het gezin.
**3..** Als de inzet van vervoer door de gemeente noodzakelijk is, dan wordt dat opgenomen in het plan van aanpak als onderdeel van de manier waarop het beoogde resultaat behaald wordt. Gekozen wordt voor het inzetten van de minst kostbare vervoersvoorziening, waarbij het uitgangspunt is dat groepsvervoer voorgaat op individueel vervoer, en collectief vervoer op particulier vervoer.
**4..** Als geen vervoersvoorziening van de gemeente wordt ingezet (taxi-vervoer), omdat de ouder(s) de jeugdige zelf kunnen vervoeren of begeleiden bij het vervoer, dan worden de reiskosten vergoed op basis van de goedkoopste passende manier van reizen, als de ouder(s) door de reiskosten niet langer in hun bestaanskosten kunnen voorzien.
**5..** Vervoersvoorzieningen kunnen in de vorm van een pgb, in zorg in natura of als onkostenvergoeding beschikbaar worden gesteld.
**6..** Bij reizen met de (brom)fiets of auto, wordt aangesloten bij de betreffende belastingvrije reiskostenvergoeding per kilometer. Bij reizen met het OV wordt de goedkoopste manier van reizen vergoed. De vergoeding wordt afgestemd op de kortste reisafstand tussen de woning en de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden.