1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:
a. Als deze niet hoofdzakelijk op het individu is gericht;
b. Als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan;
c. Voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;
d. Voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen;
e. Voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;
f. Indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is;
g. Indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan worden vastgesteld;
h. Het college verstrekt alleen een voorziening als bedoeld in lid 1 sub g als de gemaakte kosten zien op een periode van maximaal drie maanden vóór de aanvraag;
i. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten.
2. Het college weigert een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie als:
a. De cliënt geen ingezetene is van de gemeente Veere;
b. De noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was;
c. De voorziening voorzienbaar was, en van de cliënt redelijkerwijs verwacht kon worden dat de cliënt zelf maatregelen had getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt;
d. De voorziening niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding.
3. Het college verstrekt geen woonvoorziening:
a. Als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;
b. Als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen;
c. Ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt;
d. Als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat. Wel kunnen automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte in aanmerking komen voor een voorziening. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt;
e. Als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is;
f. Als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college;
g. Als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden.
4. Een maatwerkvoorziening wordt geweigerd als deze reeds eerder is verstrekt en de normale afschrijvingsduur voor die voorziening nog niet is verstreken. Met de normale afschrijvingsduur wordt de economische levensduur bedoeld:
a. 25 jaar voor een aanpassing van de badkamer;
b. 15 jaar voor aanpassing van de keuken;
c. 10 jaar voor overige woonvoorzieningen;
d. 7 jaar voor rolstoelen en vervoersvoorzieningen;
e. 3 jaar voor sportrolstoelen.
5. Als een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven:
a. Tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;
b. Tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of;
c. Als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.
Een collectieve maatwerkvoorziening gaat voor op een individuele maatwerkvoorziening.
Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt als de cliënt een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3
Artikel 49.
Weigeringsgronden voor maatwerkvoorziening
Onderdeel van Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Veere 2026