Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.9

Berekening van de fictieve draagkracht

Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet, IOAW en IOAZ Voorne aan Zee 2026

1.. Het college beoordeelt de financiële draagkracht van de belanghebbende als onderdeel voor het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete, overeenkomstig de richtlijnen van de Centrale Raad van Beroep. 2.. Uitgangspunt is dat de boete door belanghebbende met de beschikbare draagkracht binnen redelijke termijn kan worden voldaan: opzet: binnen 24 maanden; grove schuld: binnen 18 maanden; normale verwijtbaarheid: binnen 12 maanden verminderde verwijtbaarheid: binnen 6 maanden 3.. Als fictief beschikbare draagkracht zoals bedoeld in eerste lid wordt aangemerkt: 100% van het inkomen boven de 95% van de toepasselijke bijstandsnorm; een bedrag van € 45,- op maandbasis als geen sprake is van: inkomen; een inkomen dat minder bedraagt dan 90% van de toepasselijke bijstandsnorm; als sprake is van een toepasselijke kostendelersnorm. 4.. De vast te stellen boete kan niet meer bedragen dan het aantal maanden van de toepasselijke redelijke termijn als bedoeld in lid 2 vermenigvuldigd met de fictief beschikbare draagkracht als bedoeld in lid 3. 5.. Als de belanghebbende een IOAW of IOAZ-uitkering ontvangt of géén algemene uitkering levensonderhoud meer ontvangt, wordt de fictieve draagkracht vastgesteld op basis van de informatie die de belanghebbende dient te verstrekken op een door het college vastgesteld inlichtingenformulier. 6.. Indien de belanghebbende als bedoeld in het voorgaande artikel is gehuwd, geldt deze informatieplicht ook voor de partner. 7.. Indien de belanghebbende respectievelijk de partner als bedoeld in lid 5 en lid 6 de inlichtingen die nodig zijn voor de vaststelling van de fictieve draagkracht niet of niet tijdig verstrekt, wordt bij de vaststelling van de hoogte van de boete geen rekening gehouden met de fictieve draagkracht. 8.. Vermogen speelt een rol bij de berekening van de maximale boete. Het college dient bij het nemen van het boetebesluit de actuele inkomens- en vermogenspositie van de belanghebbende te betrekken. Toelichting op de beleidsregels Artikel 5.1 Aanvullende begripsbepalingen Dit artikel bevat aanvullende begripsbepalingen als terminologische basis voor het juiste gebruik en de interpretatie van de beleidsregels in dit hoofdstuk. Hieronder een korte toelichting op de in dit artikel genoemde begrippen. De term "belanghebbende" verwijst naar de uitkeringsgerechtigde die de inlichtingenverplichting mogelijk heeft geschonden. Deze neutrale, juridische aanduiding sluit aan bij het bestuursrechtelijke karakter van de beleidsregels in dit hoofdstuk. Het benadelingsbedrag is het netto uitkeringsbedrag dat onterecht is verstrekt door schending van de inlichtingenverplichting. Het verschil wordt berekend tussen het ontvangen en het rechtmatige bedrag. Dit vormt de grondslag voor de bestuurlijke boete. Op grond van artikel 58 Participatiewet kan het bedrag worden teruggevorderd. In bepaalde gevallen kan het college verrekenen of het bedrag matigen bij verzachtende omstandigheden, om een proportionele sanctie te waarborgen. Het Boetebesluit wordt expliciet genoemd, omdat dit een centrale rol speelt in het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boete. Draagkracht: Draagkracht betreft de middelen waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken voor het betalen van een boete. Daarbij wordt rekening gehouden met inkomen, vaste lasten, de beslagvrije voet en individuele omstandigheden zoals medische of sociale problematiek. Dit waarborgt een proportionele en uitvoerbare boeteoplegging. Van recidive is sprake wanneer een belanghebbende binnen twee jaar opnieuw de inlichtingenverplichting schendt nadat eerder een bestuurlijke boete is opgelegd of een schriftelijke waarschuwing is gegeven. Deze definitie benadrukt het herhaald karakter van de overtreding en maakt het mogelijk om bij herhaling zwaarder te sanctioneren. De termijn van twee jaar sluit aan bij landelijk beleid en bestaande jurisprudentie, en dient ter bevordering van normnaleving. Verwijtbaarheid verwijst naar de mate waarin de gedraging aan de belanghebbende kan worden toegerekend. Wij onderscheiden vier gradaties: Opzet: Bewuste misleiding met het oogmerk een uitkering te verkrijgen of behouden. Grove schuld: Ernstige nalatigheid, zoals herhaaldelijk niet melden terwijl men bekend is met de verplichting. Normale verwijtbaarheid: Geen bijzondere omstandigheden; men had redelijkerwijs moeten melden. Verminderde verwijtbaarheid: Verzachtende omstandigheden zoals psychische of sociale problemen, taalbelemmeringen of afhankelijkheid van derden. Een vorm van duurzame uitstroom kan ook als een verzachtende omstandigheid worden beschouwd in het kader van inkeer. Verminderde verwijtbaarheid leidt tot matiging van de boete of in uitzonderlijke gevallen tot het afzien van boeteoplegging. In lid 2 is een restbepaling opgenomen voor begrippen die niet expliciet zijn omschreven. Hierbij wordt verwezen naar de betekenis zoals die in de onderliggende wetgeving voorkomt. Het opnemen van deze bepaling voorkomt interpretatiegeschillen bij begrippen die niet zijn opgenomen of die onduidelijk zijn. Lid 3 biedt het college de mogelijkheid om in voorkomende gevallen nadere uitleg te geven over begrippen. Dit versterkt de uitvoerbaarheid en biedt ruimte voor maatwerk, mits die uitleg schriftelijk en gemotiveerd wordt vastgelegd. Artikel 5.2 Inlichtingenplicht en 60-dagen termijn De inlichtingenverplichting is een kernbepaling in de Participatiewet, IOAW en IOAZ. Binnen deze beleidsregels betekent 'onverwijld melden' dat de belanghebbende binnen vijf werkdagen relevante wijzigingen moet doorgeven die van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de uitkering. Wordt deze termijn overschreden, dan is sprake van een schending. Echter, als belanghebbende uit eigen beweging binnen 60 dagen alsnog meldt, het college de situatie nog niet zelf heeft vastgesteld of heeft gecommuniceerd, dan kan het college op grond van volgend artikel 5.3 volstaan met een schriftelijke waarschuwing in plaats van een boete. De 60-dagentermijn is daarmee geen verlengde meldplicht, maar een beleidsgrens voor het toepassen voor een lichtere boete. Deze mogelijkheid vervalt zodra het college de situatie zelfstandig heeft vastgesteld én kenbaar heeft gemaakt, of als de melding plaatsvindt naar aanleiding van een toezichtshandeling. Samengevat: de mogelijkheid voor de belanghebbende om alsnog uit eigen beweging melding te doen van onjuiste of onvolledige informatie (zoals bedoeld in lid 2) vervalt in de volgende situaties: wanneer het college het betreffende feit of de betreffende omstandigheid al op eigen initiatief heeft vastgesteld; én wanneer het college vervolgens de belanghebbende daarover expliciet heeft geïnformeerd; of wanneer de belanghebbende de betreffende informatie verstrekt op het moment dat al sprake is van een toezicht- of controleonderzoek naar de naleving van de inlichtingenplicht. Artikel 5.3 Waarschuwingen en uitzonderingen Dit artikel is gebaseerd op artikel 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten en regelt wanneer het college afziet van het opleggen van een bestuurlijke boete. In lid 1 zijn de situaties beschreven wanneer deze omstandigheden zich voordoen. In de situaties beschreven in lid 2 is er geen sprake van een benadeling en kan er ook geen boete worden opgelegd. Bij recidive genoemd in lid 3 is geen sprake meer van een waarschuwing, maar dient een boete in overeenstemming met artikel 5.5 te worden opgelegd met een minimum van €150,- ook als het benadelingsbedrag ontbreekt of gering is. Artikel 5.4 Benadelingsbedrag Dit artikel regelt hoe het benadelingsbedrag wordt vastgesteld. Dit bedrag vormt de basis voor de hoogte van de bestuurlijke boete. Lid 1 definieert het benadelingsbedrag als het nettobedrag aan uitkering dat ten onrechte is ontvangen door schending van de inlichtingenverplichting. Lid 2 en 3 bepalen dat het college dit bedrag vaststelt op basis van het terug te vorderen bedrag of andere beschikbare gegevens. Het wordt berekend als het verschil tussen het daadwerkelijk verstrekte bedrag en het bedrag waarop recht bestond. Lid 4 voorkomt dat een boete wordt opgelegd over een bedrag dat feitelijk al is verrekend met de uitkering. Lid 5 beperkt zich uitsluitend binnen de formele bezwaarprocedure. De boetebepaler heroverweegt niet zelfstandig het primaire terugvorderingsbedrag. Alleen als belanghebbende actief en onderbouwd bezwaar maakt, wordt het volledige bedrag als benadelingsbedrag beschouwd, tenzij het tegendeel bewezen wordt. Artikel 5.5 Hoogte van de bestuurlijke boete De hoogte van de bestuurlijke boete wordt bepaald op basis van het benadelingsbedrag en de mate van verwijtbaarheid van de belanghebbende. De percentages sluiten aan bij de ernst van de gedraging: opzet: 100% van het benadelingsbedrag; grove schuld: 75% van het benadelingsbedrag; normale verwijtbaarheid: 50% van het benadelingsbedrag; verminderde verwijtbaarheid: 25% van het benadelingsbedrag. Deze indeling volgt uit het Boetebesluit en waarborgt een proportionele sanctionering. Bij verzachtende omstandigheden, zoals psychische, medische of sociale problematiek, kan sprake zijn van verminderde verwijtbaarheid. De boete wordt nooit hoger vastgesteld dan het wettelijke maximum uit het Wetboek van Strafrecht en wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde veelvoud van €10,-. Het college beoordeelt in elk individueel geval of de boete passend is, gelet op de ernst van de overtreding, de verwijtbaarheid en de persoonlijke en financiële omstandigheden, waaronder draagkracht. Als de standaardboete onevenredig uitpakt, kan deze worden gematigd of achterwege worden gelaten. Artikel 5.6 Verwijtbaarheid De mate van verwijtbaarheid bepaalt of een bestuurlijke boete wordt opgelegd, en zo ja, hoe hoog die boete is. De beleidsregels onderscheiden vier categorieën: opzet, grove schuld, normale verwijtbaarheid en verminderde verwijtbaarheid. Bij de beoordeling kijkt het college naar: de aard en ernst van de schending; de persoonlijke omstandigheden (zoals medische, psychische of sociale belemmeringen); de vraag in hoeverre de belanghebbende redelijkerwijs aan de verplichting kon voldoen. Geen boete wordt opgelegd als het college vaststelt dat geen verwijtbaarheid bestaat. Dit is onder meer het geval bij: spontaan herstel vóórdat het college de schending vaststelt (volgens artikel 5.2, lid 2); aantoonbare overmacht, zoals ernstige psychische, medische of sociale beperkingen; feitelijke handelingsonbekwaamheid. Er is in elk geval geen sprake van verminderde of geen verwijtbaarheid als: de belanghebbende de Nederlandse taal onvoldoende beheerst maar redelijkerwijs hulp kon krijgen; langdurig geen actie is ondernomen zonder geldige reden of zonder hulp in te roepen. Artikel 5.7 Recidive Dit artikel regelt de toepassing van een bestuurlijke boete bij herhaalde schending van de inlichtingenverplichting binnen twee jaar na een eerdere waarschuwing of boete. Bij recidive legt het college altijd een boete op, ook als er geen benadelingsbedrag is. De hoogte wordt vastgesteld volgens de verwijtbaarheidsgradaties in artikel 5, met een minimum van €150,-. Bij opzet of grove schuld kan de boete worden verhoogd tot 150% van het benadelingsbedrag, met inachtneming van het wettelijke boetemaximum. Wanneer meerdere overtredingen binnen de recidivetermijn plaatsvinden, kan het college deze samenvoegen tot één boetebesluit. Daarbij moet het besluit proportioneel zijn en afgestemd op de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende. Artikel 5.8 Dringende redenen en bijzondere omstandigheden Het college kan in uitzonderlijke gevallen afzien van het opleggen van een boete als sprake is van dringende redenen. Dit geldt alleen wanneer de gevolgen van boeteoplegging aantoonbaar onredelijk zijn, bijvoorbeeld bij ernstige medische of sociale nood. Bij opzet of grove schuld wordt het aannemen van dringende redenen uiterst terughoudend toegepast. Verminderde verwijtbaarheid of draagkracht leiden eerder tot boeteverlaging, niet tot het volledig afzien van de boete. Daarnaast kan het college op grond van artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht in individuele gevallen afwijken van deze beleidsregels bij onbillijkheden van overwegende aard (zie artikel 10.1 Hardheidsclausule). Een besluit om wegens dringende redenen af te zien van boeteoplegging wordt altijd schriftelijk vastgelegd, mede in verband met een eventuele beoordeling van recidive in de toekomst. Sinds deze uitspraak van de afdeling Bestuursrechtspraak van de RvS hebben de ontwikkelingen rond het evenredigheidsbeginsel niet stil gestaan. Met de uitspraak van de CRvB van 18 april 2024 27 wordt het begrip dringende redenen voortaan ruimer uitgelegd. De CRvB ziet de dringende redenen voortaan als een open norm. Het uitgangspunt blijft dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald. Maar daarbinnen moeten de relevante feiten en omstandigheden zodanig afwegen, dat die een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan doorstaan. De CRvB noemt daarbij met name het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het (materiële) zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Wat kunnen die relevante feiten en omstandigheden in de beoordeling van de oorzaak zijn? De Centrale Raad noemt aan de zijde van de gemeente onder meer: de wijze waarop nalatigheid van de gemeente in de besluitvorming van invloed is op de afweging, denk aan: trage besluitvorming met een langere terugvorderingsperiode als gevolg; gemaakte fouten; de hoogte van het terug te vorderen bedrag; het effect van het besluit op de financiële toekomstverwachting. De Centrale Raad noemt aan de zijde van de betrokken inwoner de aard van de schending van de inlichtingenplicht, waaronder: het doenvermogen van de inwoner, denk aan: wel of niet bewust; of een onoplettendheid; of ontbreken van verwijtbaarheid, maar wel op de hoogte van het feit dat er te veel bijstand is verstrekt; ingrijpende levensgebeurtenissen bij de inwoner; de gezinssituatie, waaronder de opvoeding van de kinderen en op de persoonlijke ontwikkeling van de inwoner. Samengevat moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van een besluit, maar ook met de oorzaak. Ook fouten van de gemeente zelf kunnen daarbij een rol spelen. Evenredigheid moet dus standaard in de overwegingen worden meegenomen wanneer dringende redenen een rol spelen. Artikel 5.9 Berekening van de fictieve draagkracht Voor het vaststellen van een evenredige boete beoordeelt het college de fictieve draagkracht van de belanghebbende, gebaseerd op diens financiële situatie op het moment van het boetebesluit. De boete moet binnen een redelijke termijn kunnen worden voldaan, afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid: opzet: binnen 24 maanden grove schuld: binnen 18 maanden normale verwijtbaarheid: binnen 12 maanden verminderde verwijtbaarheid: binnen 6 maanden De fictieve draagkracht bestaat uit: 100% van het inkomen boven 95% van de bijstandsnorm, of €45,- per maand bij geen of zeer laag inkomen (lager dan 90% van de norm), of bij toepassing van de kostendelersnorm. De maximale boete wordt bepaald door deze maandelijkse draagkracht te vermenigvuldigen met het aantal maanden van de toepasselijke termijn. Als de belanghebbende geen uitkering ontvangt of een IOAW/IOAZ-uitkering heeft, dient hij een inlichtingenformulier in te vullen. Dit geldt ook voor de partner. Bij het niet of niet tijdig aanleveren van deze gegevens houdt het college geen rekening met draagkrachtbeperking bij het bepalen van de boete. Bij de beoordeling van de maximale boete wordt, naast het inkomen, ook het beschikbare vermogen betrokken. Dit sluit aan bij vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, waarin is bepaald dat ook vermogen onder de vrijlatingsgrens meetelt, mits beschikbaar. Hoewel vermogen geen rol speelt bij de berekening van de maandelijkse draagkracht, wordt het wél meegewogen bij de beoordeling of een hogere boete, passend bij de mate van verwijtbaarheid, evenredig is. Het college betrekt daarbij de actuele inkomens- én vermogenspositie van de belanghebbende.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel