**1..** Voor de vaststelling van de waarde van een eigen woning wordt aangesloten bij de WOZ-waardebeschikking die in het kader van de Wet waardering onroerende zaken jaarlijks aan de eigenaar wordt uitgereikt.
**2..** Als belanghebbende van oordeel is dat de waarde van de eigen woning lager is dan wordt op kosten van de belanghebbende een taxateur ingeschakeld.
Toelichting op de beleidsregels
Artikel 7.1 Giften
De problematiek rond giften heeft vooral te maken met het feit dat gemeenten op dit moment de complementariteit heel strikt uitleggen. Complementariteit betekent compleet maken of aanvullen. Voor giften en andere (onkosten)vergoedingen geldt al sinds het ontstaan van de bijstandswetgeving dat deze buiten beschouwing kunnen worden gelaten, voor zover dat naar het oordeel van de gemeenten verantwoord is. Het was uitdrukkelijk niet de bedoeling om de vrijgevigheid van instellingen of personen te ontmoedigen. En uitkeringsgerechtigden moe(s)ten ook van deze vrijgevigheid kunnen profiteren. Giften ontvangen is niet onbeperkt mogelijk, gezien het vangnetkarakter van de Participatiewet. Maar op dit moment roepen bijschrijvingen, giften en kasstortingen al snel een rechtmatigheidsvraag op. Het onderzoek dat daarop volgt creëert wederzijds wantrouwen, en dat belemmert de dialoog over de ondersteuningsbehoefte die in het kader van de Participatiewet juist gevoerd zou moeten worden. Giften en bijdragen tot een bedrag van € 1.200 per kalenderjaar per uitkering vrijlaten moet ertoe leiden dat uitkeringsgerechtigden weer meer kunnen profiteren van de vrijgevigheid van hun omgeving. Daarnaast is het doel dat consulenten door deze vrijlating minder geneigd zijn om iedere bijschrijving uitvoerig te controleren. Natuurlijk is handhaving en tegengaan van misbruik belangrijk, maar uitkeringsgerechtigden moeten binnen de wettelijke kaders gebruik kunnen maken van hun netwerk, juist omdat zij zich al in een (financieel) kwetsbare positie bevinden. Daarnaast moeten zij op vergelijkbare wijze gebruik kunnen maken van de gangbare betalingsvormen (denk aan betaalverzoeken, tikkies en overschrijvingen), zonder dat dit direct rechtmatigheidsvragen oproept. Een grensbedrag geeft rechtszekerheid aan de bijstandsgerechtigde, maar op individuele basis mag de gemeente ook hogere bedragen vrijlaten.
Dit artikel maakt duidelijk tot welk bedrag giften binnen een kalenderjaar altijd worden vrijgelaten en niet gemeld hoeven te worden. Het bedrag geldt ongeacht of de bijstandsgerechtigde het hele jaar of maar een deel van het jaar een uitkering ontvangt en ongeacht het soort huishouden. Het college zal ten aanzien van giften die niet binnen de bepaling van dit artikel valt, altijd nog een aparte afweging moeten maken of de gift niettemin uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is.
Deze beleidsregel is alleen van toepassing op de Participatiewet en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004, dat onderdeel uitmaakt van de Participatiewet. Het is niet van toepassing op uitkeringen die verstrekt worden op basis van de IOAW en IOAZ. Het begrip middel, en daarmee ook de inhouding van inkomsten op de uitkering, is wat betreft deze wetten vastgelegd in artikel 8 IOAW en IOAZ.
Andere vormen van middelen/inkomen die hierin niet zijn genoemd, moeten buiten beschouwing worden gelaten en zijn niet van invloed op het recht op uitkering. Hieruit vloeit voort dat voor deze uitkeringen giften niet als middel aangemerkt kunnen worden. Het niet in aanmerking van middelen als bedoeld in artikel 31, lid 2, Participatiewet (waaronder giften) ziet in beginsel alleen op vaststelling van de algemene bijstand. Vrijlaten van giften kan zowel bij aanvang als tijdens een lopende uitkering van toepassing zijn.
Verschil tussen schenking en een gift: een schenking is altijd een gift, maar niet elke gift is een schenking. Een schenking wordt altijd zonder tegenprestatie van de andere partij gegeven. Een gift wordt vaak voor een specifiek doel gegeven.
Artikel 7.2 Schadevergoeding
Dit artikel geeft aan hoe materiële en immateriële schadevergoedingen (artikel 31, lid 2 onder m, Participatiewet) moeten worden beoordeeld. Het zijn handvatten om tot een redelijke afweging te komen wat uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Het één en ander mag niet leiden tot een bestedingsniveau dat onverenigbaar is met wat op bijstandsniveau gebruikelijk is. Gezien het minimumbehoeftenkarakter van de bijstand is de vrijlating dan ook niet onbeperkt. De vrijlating van de schadevergoeding vindt plaats per toekenning. Bij schadevergoeding wordt er onderscheid gemaakt tussen een materiële en een immateriële schadevergoeding. Een materiële schadevergoeding is een vergoeding voor schade die direct in geld is uit te drukken. Een materiële schadevergoeding is bedoeld om kosten te betalen als gevolg van vermogensschade, bijvoorbeeld als gevolg van brand of een ongeval. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om kosten voor huishoudelijke hulp, schade aan de auto of bromfiets. De belanghebbende dient aan te tonen waarvoor de materiële schadevergoeding is verstrekt en waaraan de vergoeding is besteed of besteed zal worden. Als de materiële schadevergoeding niet wordt gebruikt om de schade te herstellen wordt de materiële schadevergoeding aangemerkt als vermogen en overeenkomstig de bepalingen over vermogen beoordeeld. Een schadevergoeding voor het verlies van inkomsten uit werk is inkomen. Het is bestemd voor de kosten van levensonderhoud en wordt daarom verrekend met de uitkering. Bij de beoordeling van deze schadevergoeding moet onderzocht worden voor welke periode de schadevergoeding is bedoeld. De schadevergoeding kan dan ook gaan over een periode die in het verleden ligt. Er dient daarom beoordeeld te worden op welke periode de vergoeding betrekking heeft. Het bedrag van de schadevergoeding wordt gedeeld door het aantal maanden waarop deze vergoeding betrekking heeft. Het wordt dan maandelijks gekort op de uitkering. In de meeste gevallen gaat het echter om één bedrag, waarbij het bedrag per maand niet duidelijk is. De belanghebbende moet aantonen om welk verlies van arbeidsvermogen/daling van inkomen het gaat. Dit kan bijvoorbeeld door middel van salarisspecificaties of jaaropgaven worden aangetoond. Bij een immateriële schadevergoeding gaat het om een vergoeding van schade door pijn, gederfde levensvreugde of het verdriet ten gevolge van een foutieve handeling van een derde die aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade. Uit jurisprudentie volgt dat voor de uitkeringsverlening pas met een immateriële schadevergoeding rekening mag worden gehouden met ingang van de dag waarop belanghebbende hier daadwerkelijk over kan beschikken, tenzij er sprake is van verwijtbaar handelen van belanghebbende waardoor er nog niet tot uitbetaling is overgegaan. De vrijlating van de immateriële schadevergoeding is voor alleenstaanden en gehuwden hetzelfde. De vermogensgrens alleenstaande, zoals neergelegd in artikel 34, lid 3 onder a, Participatiewet, is daarom de norm. Van het bedrag aan immateriële schadevergoeding dat meer bedraagt dan de vermogensgrens alleenstaande wordt 1/3 vrijgelaten en 2/3 in aanmerking genomen4 als vermogen, artikel 34, lid 1 onder b, Participatiewet.
Artikel 7.3 Transitievergoeding
Uit jurisprudentie blijkt dat de vastgestelde transitievergoeding tot het inkomen wordt gerekend. Deze vergoeding is immers bedoeld om in de periode na ontbinding van de arbeidsovereenkomst te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. De gedachte hierachter is dat het doel en de berekening van de transitievergoeding niet veel verschilt van de vroegere ontslagvergoeding. De ontslagvergoeding werd volgens vaste rechtspraak gezien als inkomen, dus de transitievergoeding ook. De vergoeding op grond van een beëindigingsovereenkomst is geen wettelijke transitievergoeding, maar wordt eveneens gezien als inkomen, tenzij voldoende en ondubbelzinnig blijkt dat deze vergoeding een andere bestemming heeft (denk bijvoorbeeld aan een omscholingscursus of ander re-integratiedoel). Het aantal maanden dat de vergoeding door betrokkene moet worden besteed aan de kosten van levensonderhoud is te berekenen door de transitievergoeding te delen door het nettosalaris inclusief vakantiegeld (dus niet de bijstandsnorm!) waarop die vergoeding is berekend. Als de transitievergoeding (deels) een periode beslaat waarop betrokkene geen recht had op bijstand, dan wordt de transitievergoeding over deze periode tot het vermogen gerekend door het resterend vrij te laten vermogen aan te passen. Als is vastgelegd dat een bepaald bedrag van de transitievergoeding is bestemd voor re-integratiedoeleinden, wordt het bedrag dat werkelijk voor re-integratiedoeleinden wordt gebruikt vrijgelaten. Dit geldt bijvoorbeeld voor de situatie waarin een opleiding nog moet starten en het aannemelijk is dat het bedrag gebruikt gaat worden voor de studiekosten. Als een deel van de transitievergoeding gelet op de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, betrekking heeft op de periode die is gelegen voor de ingangsdatum van de bijstand, dan wordt dit aangemerkt als vermogen (lid 2). De aanspraak op dat vermogen bestaat in dat geval al op de ingangsdatum en kan bij latere ontvangst van het bedrag in het kader van een eventuele terugvordering wegens achteraf ontvangen middelen (artikel 58, lid 2, onderdeel f, ten 1e, Participatiewet,) naar de ingangsdatum (= peildatum) worden teruggerekend. Als het bedrag van het vrij te laten bescheiden vermogen op die peildatum wordt overschreden, kan de gemeente tot terugvordering van de netto bijstand overgaan tot maximaal het bedrag van de overschrijding of het eventuele lagere bedrag van de verstrekte bijstand tussen peildatum en ontvangstdatum. Er kan namelijk nooit meer teruggevorderd worden dan dat er daadwerkelijk aan bijstand is verstrekt. De hierin te volgen lijn is vergelijkbaar met die van een erfenis waarop aanspraak ontstaat voordat de bijstandsverlening ingaat. Met ingang van de ontvangstdatum is het naar maandbasis omgerekende deel van de vergoeding als inkomen aan te merken. Mogelijk is dat inkomen hoger dan de bijstandsnorm en moet de bijstand beëindigd worden. Als de ontslagdatum binnen de bijstandsperiode ligt, dan geldt het naar maandbedrag omgerekende deel van de vergoeding vanaf die datum als inkomen. Mogelijk leidt dat tot herziening (inkomen lager dan de norm) of tot intrekking (hoger dan de norm) en beëindiging van de bijstand.
Artikel 7.4 Verrekening inkomsten teruggave hypotheekrenteaftrek
Dit artikel voorziet in een eenduidige werkwijze over verrekening inkomsten bij teruggave hypotheekrente. In de drie voormalig gemeenten werd er verschillend omgegaan met de verrekening van de ontvangen hypotheekrenteaftrek. Deze hypotheekrenteaftrek is op basis van artikel 31, lid 2 onder f, Participatiewet een middel dat verrekend moet worden met de bijstand. Lid 1 biedt de mogelijkheid om de komende periode de gevolgen van dit artikel te inventariseren en de betrokken belanghebbende voor te bereiden op de wijziging per 1 januari 2026. Zie verder het beleid over de woonkostentoeslag in de beleidsregels bijzondere bijstand. De hypotheekrente kan op twee manieren worden ontvangen. In de leden 2 en 3 wordt aangegeven hoe met deze twee situaties dient te worden omgegaan. Met name bij de genoemde werkwijze in lid 3 kan het reden zijn om belanghebbende te vragen een voorlopige aanslag over het lopende jaar aan te vragen. Als belanghebbende kiest voor een eenmalig jaarlijkse teruggave van de hypotheekrenteaftrek via de definitieve aanslag inkomstenbelasting, zullen wij het bedrag aan teruggave hypotheekrenteaftrek in zijn geheel terugvorderen. Op basis van de definitieve aanslag inkomstenbelasting dient jaarlijks gecontroleerd te worden of de verrekening van de voorlopige aanslag correct is uitgevoerd. Als dat niet het geval is, kan er sprake zijn van een nabetaling of terugvordering. Hiervoor wordt de aanvullende verplichting opgelegd de betreffende belastingaanslagen desgevraagd en/of uit eigen beweging te overleggen.
Artikel 7.5 Parttime ondernemerschap (zelfstandige op bescheiden schaal)
We spreken over parttime ondernemen (kortweg pto), ook wel bekend als zelfstandigen op bescheiden schaal, als uitkeringsgerechtigden in de bijstand door te ondernemen met toestemming van de gemeente inkomsten genereren die worden aangevuld door een bijstandsuitkering. Iemand werkt bijvoorbeeld een paar uur per week als zzp'er. Veel voorkomende activiteiten zijn onder andere online lesgeven, coaching, het verkopen van (eigen) kunst, nagels behandelen en honden uitlaten. In principe is een pto-traject van tijdelijke aard. Meestal wordt er door de gemeente toestemming gegeven voor een jaar, en wordt die toestemming jaarlijks verlengd als dat passend is bij de situatie van de inwoner.
Re-integratie en/of uitstroominstrument
Parttime ondernemen is zowel een re-integratie instrument als een manier om uit de bijstand te kunnen komen. Wat passend en haalbaar is als doelstelling van het pto-traject is altijd maatwerk per inwoner. Bij re-integratie gaat het vaak in eerste instantie om mensen die vanuit een eigen idee weer ‘in beweging komen’ en zo op een zinvolle manier meedoen in de samenleving. Van parttime ondernemen als uitstroominstrument (ook richting Bbz) kan sprake zijn als inwoners goede ondernemersvaardigheden hebben (ontwikkeld) en een relatief kleine mate van afstand tot de arbeidsmarkt. Het komt ook regelmatig voor dat inwoners door hun pto-ervaring gaan beseffen dat ondernemen niet bij hen past. Ze zijn dan echter vaak wel op positieve wijze weer in beweging gekomen en hebben allerlei contacten en werkervaringen opgedaan. Van daaruit weten mensen regelmatig een (parttime) baan in loondienst te vinden. Doorstroom of uitstroom via loondienst wordt dan ook even goed gezien als pto-succes.
Verschil parttime ondernemerschap en fulltime ondernemerschap
Voorwaarden gemeente
Parttime ondernemerschap Pw
Fulltime ondernemerschap Bbz
Financiering
Geen wettelijke financieringsmogelijkheden
Startkapitaal uit Bbz (lening)
Uitkering Pw
Ja, inkomsten worden verrekend met de bijstandsuitkering
Nee, eventueel een periodieke Bbz-uitkering en definitieve vaststelling na boekjaar
Wie
Gemeente Voorne aan Zee
Regionaal Bureau Zelfstandigen gemeente Rotterdam
Bbz'er
De doelgroep van het Bbz bestaat overwegend uit mensen met goede ondernemersvaardigheden die een bedrijfsplan hebben voor een (in potentie) levensvatbare onderneming. Hier schrijven ze een uitgebreid businessplan voor dat wordt getoetst. Bbz'ers hebben de tijd en ruimte om zich fulltime op hun bedrijf te richten (minimaal 1225 uur per jaar) en worden niet of in mindere mate beperkt door (zware) fysieke of mentale problemen qua functioneren. De begeleiding van Bbz'ers is met name inhoudelijk gericht op ondernemerschap en/of financiering van het bedrijf.
Zelfstandige op bescheiden schaal (pto)
De groep pto'ers bestaat uit een mix van mensen die zich oriënteren op ondernemerschap en/of inwoners met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Iemand in een pto-traject kan maximaal 23,5 uur per week besteden aan het bedrijf om de overige uren beschikbaar te blijven voor een traject richting loondienst. Soms wordt iemand echter hiervan vrijgesteld in verband met fysieke of mentale beperkingen. Zij zijn niet verplicht ingeschreven te staan in het Handelsregister van de Kamer van koophandel, maar moeten wel aangifte doen van omzetbelasting en inkomstenbelasting.
Ook bij pto'ers wordt er gekeken naar de haalbaarheid van de plannen, maar de verwachtingen en eisen hieromtrent zijn niet vergelijkbaar met die van de Bbz-doelgroep. Ook de mate van ondernemerschapskwaliteiten van de inwoners en de hoogte van de inkomsten die gegenereerd kunnen worden zijn niet vergelijkbaar qua niveau. Parttime ondernemerschap gaat in veel gevallen met name om het weer op een zinvolle manier meedoen in de samenleving en een mogelijke eerste stap qua re-integratie richting werk. Ook de benodigde begeleiding van pto’ers is dan ook fundamenteel anders is dan bij het Bbz. Omdat het vaak gaat om een kwetsbare groep zijn zaken als regelmatig persoonlijk contact, activering, duidelijke kaders, ondersteuning in het proces (onder andere bij de administratie) en hulp bij het leren ondernemen belangrijke voorwaarden om mensen te ondersteunen tijdens hun pto-traject. Parttime ondernemen in Voorne aan Zee is toegestaan als voldaan wordt aan de verplichtingen, zoals deze in lid 1 van dit artikel zijn opgenomen. Uitgangspunt hierbij is dat de werkzaamheden de inschakeling in arbeid op geen enkele wijze mogen belemmeren dan wel onderdeel zijn van het traject gericht op weer participeren, zoals hierboven beschreven. Het college is verantwoordelijkheid voor een rechtmatige verstrekking van de uitkering. Van belanghebbende mag dan ook verwacht worden dat er een deugdelijke administratie gevoerd wordt en de inkomsten en uitgaven kunnen worden geverifieerd. In beginsel dienen de inkomsten maandelijks te worden verrekend met de bijstandsuitkering. Als dit problemen geeft in de uitvoering, kan er ook gekozen worden de inkomsten over een andere periode te verrekenen dan wel terug te vorderen, maar in ieder geval binnen 3 maanden na afloop van het kalenderjaar.
Artikel 7.6 Vrijlating bijverdiensten van jongeren tot 27 jaar
Dit artikel is bedoeld om jongeren te stimuleren om werk te accepteren en actief te blijven op de arbeidsmarkt. Door een deel van de inkomsten uit arbeid vrij te laten, ervaren jongeren direct financieel voordeel van hun inspanningen. Na een periode van 12 maanden kan de vrijlatingsregeling worden verlengd als de individuele situatie van de jongere dat rechtvaardigt.
Artikel 7.7 Vermogensvaststelling definities
Zover de begrippen niet zijn gedefinieerd wordt verwezen naar de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 7.8 Vermogensvaststelling algemeen
Uitkeringsgerechtigden hoeven een toename in het vermogen niet door te geven, zolang het vermogen onder de vermogensgrens blijft. Wel moet de uitkeringsgerechtigde zélf in de gaten houden of hij een vermogen heeft boven de vermogensgrens. Het is belangrijk uitkeringsgerechtigden daarbij goed te informeren en te begeleiden. Bijvoorbeeld door het belang van vermogen, de vermogensgrens en het doorgeven van wijzigingen toe te lichten. Het college verplicht belanghebbende om aanzienlijke toenames in het vermogen te melden om schending van de inlichtingenplicht te voorkomen. In het artikel wordt een toename vanaf € 4.500,00 (alleenstaanden) of € 9.000,00 (alleenstaande ouders en gehuwden) voorgesteld. In individuele gevallen -als het vermogen bij aanvang van de bijstand al tegen de vermogensgrens aan zit - kan het advies anders zijn.
De gemeente kan ook een vinger aan de pols houden door de bijstandsgerechtigde regelmatig te spreken over diverse onderwerpen, waar ook vermogen onderdeel van is.
Bepaald is in lid 2 dat in alle gevallen de van toepassing zijnde bijstandsnorm in mindering wordt gebracht op het totale saldo van de lopende betaalrekeningen. De belanghebbende is voor de bijstandsperiode vaak gewend aan een hoger uitgavenpatroon. Hiermee kunnen (overbodige) verplichtingen worden afgebouwd dan wel worden betaald.
Ook wanneer het totale vermogen (lees: het vermogen voor de aftrek genoemd in lid 2) boven de van toepassing zijnde vermogensgrens uitkomt, wordt toepassing gegeven aan het gestelde in lid 2.
Het vermogen wordt als volgt vastgesteld:
saldi betaalrekeningen; (+/+) in overeenstemming met lid 2;
saldi spaarrekeningen; (+/+);
saldi afkoop verzekeringen; (+/+);
waarde bezittingen; (+/+);
schulden, niet zijnde WSF schuld; (-/-);
eenmaal de toepasselijke bijstandsnorm (bij positief saldo bovenstaand) (-/-).
Wanneer de uitkomst van de vermogensvaststelling negatief is, wordt het vermogen negatief vastgesteld. Dit, in aansluiting op de jurisprudentie: CRvB, 20-02-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:792. Als belanghebbende een negatief vermogen heeft, dan is het resterende vrij te laten bedrag gelijk aan de vermogensgrens. De hoofdregel is dat de bijstand wordt verstrekt aan het gezin. Voor de vaststelling van het vermogen betekent dit dat de vermogensbestanddelen van alle personen die tot het gezin behoren meetellen. In het licht van de Participatiewet zijn dit de partner en de ten laste komende kinderen. Mocht belanghebbende aantoonbaar vermogen hebben weggesluisd om daarmee onder de vrijlatingsgrens uit te komen, kan dit een grond zijn de bijstand als lening te verstrekken. In dat geval kan de bijstand als lening worden verstrekt tot het bedrag boven de vrijlatingsgrens wat is weggesluisd.
Artikel 7.9 Vermogensvaststelling bij vestiging vanuit andere gemeente
Artikel 40, lid 1, Participatiewet bepaalt dat het recht op bijstand geldt tegenover het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft. Bij vestiging vanuit een andere gemeente wordt het vermogen alleen opnieuw vastgesteld als dit in het voordeel van de belanghebbende is en er geen sprake is van een normwijziging. Er dient rekening te worden gehouden met nieuwe schulden. Dit geldt ook voor het aflossen/kwijtschelden van schulden en waardeverminderingen/-vermeerderingen van bezittingen. Een zienswijze is ook dat bij een overname van een bijstandsuitkering uit een andere gemeente de bijstand in theorie ‘doorloopt’, waardoor niet opnieuw een vermogensvaststelling hoeft plaats te vinden. Het is echter onbekend of en op welk moment de vorige gemeente tussentijds een vermogensvaststelling heeft laten plaatsvinden. Daarnaast blijkt in de praktijk dat belanghebbende bij een aanvraag vaak niet de (meest recente) vermogensvaststelling uit de voorgaande gemeente kan overleggen. Het vermogen dient daarom opnieuw vastgesteld te worden.
Artikel 7.10 Vermogensvaststelling bij echtscheiding of verlating
Op grond van artikel 34 Participatiewet moet het vermogen worden vastgesteld. Bij een aanvraag om bijstand zal bij een echtscheiding of verlating het niet altijd even gemakkelijk zijn om het vermogen direct vast te stellen, omdat op het moment van aanvang van de bijstand de boedel vaak nog niet verdeeld is. In een dergelijk geval kan gewacht worden met het definitief vaststellen van het vermogen totdat de boedelscheiding geregeld is. In de toekenningsbeschikking bijstand moet opgenomen worden dat het vermogen na afwikkeling van de echtscheiding wordt vastgesteld en dat bij overschrijding van de toepasselijke vermogensgrens de te veel betaalde bijstand zal worden teruggevorderd. Als na terugvordering de vermogensgrens nog steeds wordt overschreden wordt de bijstand direct beëindigd. De aanvraag om bijstand moet worden afgewezen als bij de aanvraag al duidelijk is dat het vermogen ruimschoots meer bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens en de aanvrager daar op dat moment al over kan beschikken. Als duidelijk is dat er sprake is van een negatief vermogen wordt het vermogen gelijk bij de aanvraag negatief vastgesteld.
Artikel 7.11 Vermogensvaststelling bij wijziging leefvorm
Een wijziging in de gezinssamenstelling kan invloed hebben op het vermogen. Bij wijziging van leefvorm dient daarom het vermogen opnieuw te worden vastgesteld. De vermogensgrens van de nieuwe leefvorm is van toepassing. Het deel van het vermogen dat is ontstaan tijdens de bijstands-periode door ontvangen rente en besparingen dient gelet op de vrijlatingsbepalingen van artikel 31, lid 2 onderdeel i en artikel 34, lid 2 onderdeel c, Participatiewet buiten beschouwing te blijven. Bij een alleenstaande ouder die alleenstaand wordt kan een deel van het vermogen worden overgedragen aan de niet meer ten laste komende kinderen waardoor het vermogen van de alleenstaande lager wordt. Dit kan als bij de oorspronkelijke vermogensvaststelling rekening is gehouden met vermogensbestanddelen van ten laste komende kinderen. Voorbeeld: belanghebbende vraagt op 1 januari 2019 bijstand aan. Op die dag wordt haar zoon 14 jaar oud. Belanghebbende heeft een spaar-rekening met € 5.700,-. Het saldo van de spaarrekening van haar zoon bedraagt € 3.300,-. Belanghebbende krijgt een bijstandsui¬tkering naar de norm van een alleenstaande ouder. Haar vermogen wordt vastgesteld op € 9.000,-. Op 1 januari 2023 wordt haar zoon 18 jaar. Belanghebbende wordt vanaf die datum aangemerkt als alleenstaande. Op grond van bovenstaande regels geldt dat de toepasselijke vermogensgrens wijzigt in de actuele vermogensgrens voor een alleenstaande: € 7.575,- (bedrag per 1 januari 2024). De banksaldi zijn nog steeds aanwezig, dus de hoogte van het vermogen blijft in beginsel gelijk, namelijk € 9.000,-. Gevolg is dat er sprake zou zijn van een vermogensoverschot en dat belanghebbende zou moeten interen. Dit is onredelijk, daar een deel van het vermogen (aantoonbaar) haar zoon toekomt, die niet meer in de bijstand is inbegrepen. Daarom is het zaak het vermogen van belanghebbende opnieuw vast te stellen.
Artikel 7.12 Vermogensvaststelling bij erfenis
Het vermogen wordt toegerekend aan het moment waarop de aanspraak is ontstaan, het moment van overlijden van de erflater. Bij een erfenis werkt dat als volgt. Mocht iemand op 1 januari 2019 zijn overleden ontstaat op die datum het recht van belanghebbende op zijn deel van die erfenis. Ook al wordt die erfenis pas op 1 juli 2020 uitgekeerd, dan geldt als herbeoordelingsmoment 1 januari 2019. Op die datum was immers de aanspraak/het recht op de erfenis ontstaan. Een terugvordering is dan gebaseerd op 58, lid 2 onder f, Participatiewet (later genoten middelen). Het is daarbij niet nodig en zelfs foutief om - voordat er teruggevorderd wordt - eerst een intrekkings-of herzieningsbesluit te nemen. Zie ook (ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0302, terugvordering i.v.m. beschikbaar vermogen uit erfenis en ECLI:NL:CRVB:2013:BY7958). Ligt de aanspraak op een vermogensbestanddeel, zoals bijvoorbeeld een erfenis, voor aanvang bijstandsverlening en is het vermogen op nihil gesteld in verband met schulden, dan wordt als de erfenis beschikbaar komt een herberekening van het vermogen gemaakt. Bij de herberekening worden de schulden op de peildatum (aanvang bijstand) betrokken (ECLI:NL:CRVB:2019:2780).
Artikel 7.13 Vermogensvaststelling bij reservering voor uitvaart of crematie
In de Participatiewet is het niet mogelijk om reserveringen voor kosten van uitvaart of crematie buiten beschouwing te laten bij de vermogensvaststelling, tenzij de reservering zodanig van vorm is dat gesteld kan worden dat niet over de middelen beschikt kan worden. Er is bijvoorbeeld in de volgende situaties sprake van:
belanghebbende heeft een uitvaartverzekering in natura;
belanghebbende heeft een uitvaartverzekering in geld die niet afgekocht kan worden;
belanghebbende heeft geld op de rekening vastgezet en dit bedrag komt alleen beschikbaar bij overlijden.
Alle andere vormen van reserveringen voor de kosten van een uitvaart waar redelijkerwijs over beschikt kan worden, kan niet buiten beschouwing worden gelaten bij de vaststelling van het vermogen. De CRvB heeft diverse keren uitgesproken dat begrafeniskosten niet kunnen worden geacht te behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan van de overledene: CRvB 28-01-2003, nr. 01/4196NABW. Daar vloeit uit voort dat bij leven niet gereserveerd hoeft te worden voor uitvaartkosten. Op grond van de Participatiewet moet de levensverzekering (doel: dekken van kosten uitvaart/crematie) dan ook ter hoogte van de afkoopwaarde als vermogen worden meegenomen bij de vermogensvaststelling. Het bedrag wordt jaarlijks (september) aangepast per datum van de uitgave van een nieuwe prijzengids van het Nibud.
Artikel 7.14 Vermogensvaststelling bij auto, motor, bromfiets of scooter
Het college kan (een deel van) de waarde van een auto, motor, bromfiets of scooter vrijstellen bij de vermogensvaststelling. Aangezien een auto, motor, bromfiets een algemeen gebruikelijk goed is en belanghebbende wordt geacht arbeid te accepteren over een afstand met een totale reisduur van maximaal 3 uur per dag wordt er bij de vermogensvaststelling een vrijlating toegepast voor alle in het bezit zijnde vervoersmiddelen tezamen. Het meerdere wordt meegenomen bij de vermogensvaststelling. Bij de vaststelling van de waarde van de auto wordt in beginsel altijd de koerslijst van Independer gebruikt. In bijzondere gevallen kan eventueel de koerslijst BOVAG/ANWB (inruil bij een autobedrijf) worden geraadpleegd. Hiervoor is het hebben van de kilometerstand en mogelijk bijzondere specificaties van de auto een voorwaarde, deze kunnen eventueel met een hersteltermijn worden opgevraagd dan wel worden gehaald uit de RDW gegevens in Suwinet. Als de dagwaarde van de auto niet beschikbaar is in deze bronnen vanwege de leeftijd van de auto, is het aankoopbedrag van de auto in beginsel bepalend. Bij auto’s ouder dan 15 jaar kan de waardebepaling buiten beschouwing worden gelaten en wordt het vervoersmiddel – mits er geen sprake is van een old timer of ander bijzonder model – als algemeen gebruikelijk aangemerkt en vrijgelaten van de vermogensvaststelling. De waarde van de motor wordt vastgesteld met behulp de verkoopsite van motoren: www.motoroccasion.nl.
Voor het bepalen van de waarde van de brommer/scooter wordt de volgende rekenmethode gehanteerd:
Stap 1: bepaal de cataloguswaarde van het type brommer/scooter via internet of dealer;
Stap 2: bereken wat 1,5% van de cataloguswaarde is;
Stap 3: bepaal aan de hand van het bouwjaar hoe oud de brommer/scooter in maanden is;
Stap 4: vermenigvuldig het aantal maanden x 1,5 % van de cataloguswaarde = A;
Stap 5: cataloguswaarde brommer/scooter -/- A = waarde die meegenomen wordt in de vermogensvaststelling.
De waarde van een brommer/scooter ouder dan 5 jaar en 6 maanden wordt niet meer meegenomen in de vaststelling van het vermogen. De waarde van caravans, campers, vrachtwagens, tractoren en boten/ jachten dient belanghebbende zelf te worden aangetoond, bijvoorbeeld door middel van de verzekeringswaarde van het betreffende vermogensbestanddeel.
Artikel 7.15 Vermogensvaststelling bij eigen woning
Om een eerlijke en objectieve inschatting te krijgen van de waarde van een eigen woning, wordt de WOZ-waardebeschikking gebruikt. Als belanghebbende van oordeel is dat de waarde van de eigen woning lager is dan wordt op kosten van de belanghebbende een taxateur ingeschakeld. In principe komen deze kosten ten laste van belanghebbende. Hiervoor kan slechts in zeer bijzondere gevallen bijzondere bijstand worden verstrekt. Wordt er bijzondere bijstand verstrekt voor de kosten van een taxateur, dan kunnen die kosten in de regel niet worden opgenomen in de bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van krediethypotheek of verpanding (zie Hoofdstuk 8 van deze beleidsregels), omdat deze bijzondere bijstand alleen in de vorm van bijstand om niet kan worden verleend, tenzij:
er sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, of
als er sprake is van binnenkort te ontvangen middelen voor dit doel.
Hoofdstuk 7
Artikel 7.15
Vermogensvaststelling bij eigen woning
Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet, IOAW en IOAZ Voorne aan Zee 2026