Voldoet de subsidieontvanger niet aan zijn verplichtingen dan kan het college op grond van de Awb (artikelen 4:46, 4:48, 4:49 of 4:50) de subsidieverlening lager vaststellen dan was verleend, intrekken of wijzigen. Vervolgens kan het college eventueel al betaalde voorschotten of subsidiebedragen terugvorderen (artikel 4:57 Awb). Dit besluit kan worden opgenomen in de vaststellingsbeschikking dan wel in een afzonderlijk invorderingsbesluit. Een dergelijk besluit is vatbaar voor bezwaar en beroep.
Op grond van artikel 4:95, lid 4 Awb kunnen onverschuldigd betaalde bedragen worden teruggevorderd indien de subsidie lager is vastgesteld dan het bedrag aan verleende en betaalde voorschotten. De terugvordering geschiedt bij de subsidieontvanger. Betaalde voorschotten worden daarbij verrekend met het vastgestelde bedrag; hetgeen onverschuldigd is betaald, wordt teruggevorderd.
In het proces van subsidieverstrekking moet onderscheid worden gemaakt naar twee situaties:
Subsidies die worden verleend en direct vastgesteld. De subsidie wordt meteen aan de subsidieontvanger uitbetaald.
Subsidies die eerst worden verleend en na afloop van de periode waarvoor de subsidie is verleend worden vastgesteld. De subsidie wordt eerst als voorschot uitbetaald. Op basis van de verantwoording over de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en in bepaalde gevallen ook over de daadwerkelijk gemaakte kostenaanvraag (middels een aanvraag tot vaststelling van de subsidie door de subsidieontvanger), wordt de subsidie (definitief) vastgesteld.
Het kan zijn dat na vaststelling wordt geconstateerd dat de subsidie (deels) onterecht is verleend. De subsidie kan dan tot maximaal vijf jaren na de vaststelling (deels) worden ingetrokken en het te veel betaalde bedrag kan worden teruggevorderd (artikel 4:49 Awb).
Het kan zijn dat bij de aanvraag tot vaststelling blijkt dat niet alle activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn uitgevoerd, of in geringere mate. In dat geval kan de subsidie lager worden vastgesteld dan het verleende bedrag (artikel 4:46 lid 2 Awb). Dit moet wel in redelijkheid gebeuren, ofwel er moet worden nagegaan in welke mate de subsidieontvanger dit is aan te rekenen én in welke mate dat tot minder kosten heeft geleid.
Blijkt uit de aanvraag tot vaststelling dat de activiteiten allemaal zijn uitgevoerd, maar de kosten vallen lager uit dan waarop de verlening is gebaseerd, dan wordt de subsidie in beginsel vastgesteld op het (eerder) verleende bedrag. Bij een volgende aanvraag voor deze activiteiten kan bij de beoordeling van de aanvraag worden bepaald of met het verlenen van een lager bedrag kan worden volstaan.
Bij de vaststelling van een subsidie wordt primair gekeken naar wat er in de verleningsbeschikking staat. Het is dus van groot belang dat daar ondubbelzinnig staat voor welke activiteiten (en omvang) de subsidie wordt verleend en van welke kosten wordt uitgegaan. Staat dat niet of niet goed in de verleningsbeschikking, dan is het niet (goed) mogelijk de subsidie lager vast te stellen en terug te vorderen.
Daarnaast moet de subsidie worden verbonden aan de subsidiabele kosten als die moeten worden verantwoord. Het is dan ook aan te bevelen om in de verleningsbeschikking de subsidie niet als vast bedrag op te nemen. In de verleningsbeschikking wordt in dat geval opgenomen:
“maximaal x% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € y.’’
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.6
Terugvordering van onverschuldigde subsidie
Onderdeel van Subsidiebeleid gemeente Kampen 2026-2029