Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.4

Onderzoek

Onderdeel van Beleidsregels jeugdhulp gemeente Pijnacker-Nootdorp 2025

Naar aanleiding van een melding start het onderzoek naar de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s). Het is van belang dat het onderzoek zorgvuldig en in de juiste volgorde plaatsvindt1Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 1-05-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477. De volgende stappen worden tijdens het onderzoek achtereenvolgend gezet. 1. Vaststellen van de hulpvraag Na bevestiging van de melding vindt een gesprek plaats tussen de medewerker van het Kernteam en de jeugdige en/of ouder(s). Tijdens dit gesprek wordt de identiteit van de jeugdige en/of ouder(s) vastgesteld aan de hand van één van de volgende documenten: een Nederlands paspoort of identiteitskaart, een paspoort of identiteitskaart uit een EER-land, een vreemdelingendocument of een rijbewijs2Zie artikel 3.3 lid 5 van de verordening. Een verlopen document is ook toegestaan. De medewerker van het Kernteam informeert de jeugdige en/of ouder(s) over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. Tijdens het gesprek wordt vervolgens in kaart gebracht wat de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s) is. Deze hulpvraag is het uitgangspunt bij de start van het onderzoek, maar is niet leidend voor het verdere onderzoeksproces. Jeugdige en/of ouder(s) vragen soms om hele concrete hulp, terwijl na onderzoek blijkt dat andere hulpverlening passender is. Of dat meer of minder ondersteuning nodig is dan in eerste instantie is gevraagd. 2. Vaststellen of het college verantwoordelijk is Nadat is vastgesteld wat de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s) is, wordt beoordeeld of het college hiervoor verantwoordelijk is op grond van het woonplaatsbeginsel3Zie het begrip ‘woonplaats’ in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Hiermee wordt helderheid verschaft welk college verantwoordelijk is voor de in te zetten jeugdhulp. Als een ander college verantwoordelijk blijkt te zijn, dan stuurt het Kernteam met instemming van de jeugdige en/of ouder(s) de melding (inclusief de toegevoegde stukken) door naar het bevoegde college. 3. Onderzoek of sprake is van beperkingen/problematiek Na het vaststellen van de hulpvraag wordt onderzocht of sprake is van opgroeiproblemen, psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptie gerelateerde problemen en zo ja welke problemen of stoornissen dat zijn. Voor het vaststellen van de concrete problematiek is deskundigheid vereist. De medewerkers van het Kernteam zijn deskundig in het uitvoeren van het jeugdhulponderzoek. Ter waarborging van deze deskundigheid staan zij ingeschreven in het register van de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ-register), het register van de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO-register) of het register van de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG-register) voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. Of staan zij onder supervisie van medewerkers die staan ingeschreven in het SKJ-register, NVO-register of BIG-register voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. Per casus wordt binnen het Kernteam gekeken welke medewerker het beste gekwalificeerd is voor het uitvoeren van het onderzoek naar de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s). Als bepaalde deskundigheid niet aanwezig is bij het Kernteam, dan wordt externe deskundigheid ingeschakeld. De jeugdige en/of ouder(s) worden altijd op de hoogte gesteld wie (met welke deskundigheid) dit deel van het onderzoek uitvoert. 4. Bepalen welke hulp nodig is Als duidelijk is wat de beperkingen en/of problemen van de jeugdige en/of ouder(s) zijn, wordt bepaald welke hulp nodig is in vorm, duur en frequentie zodat de jeugdige in staat wordt gesteld: gezond en veilig op te groeien; te groeien naar zelfstandigheid; voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te kunnen participeren.4Zie artikel 2.3 lid 1 van de Jeugdwet Hierbij wordt rekening gehouden met leeftijd, ontwikkelingsniveau, behoeften, persoonskenmerken, godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en/of ouder(s).5Zie artikel 2.3 lid 4 van de Jeugdwet 5. Onderzoek naar eigen kracht Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, wordt onderzocht of en in hoeverre de eigen kracht van de jeugdige en/of zijn ouder(s) toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. In de verordening is vastgelegd dat het college onder eigen kracht in ieder geval verstaat: de gebruikelijke- en bovengebruikelijke hulp die ouders geacht worden aan hun kinderen te bieden; de hulp die kan worden geboden door andere personen uit het sociale netwerk van de jeugdige en ouder(s); het aanspreken van een aanvullende verzekering.6Zie artikel 4.1 lid 1 van de verordening Het afwegingskader gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp is uitgewerkt in paragrafen 3.2 en 3.3 van deze beleidsregels. 6.Onderzoek naar mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening Als vaststaat welke hulp de jeugdige en/of ouder(s) nodig hebben en dat zij en/of het sociaal netwerk hier niet (geheel) in kunnen voorzien en geen aanspraak kan worden gemaakt op een aanvullende verzekering, dan wordt onderzocht of aanspraak gemaakt kan worden op een andere voorziening. Een andere voorziening is een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet. In paragraaf 3.6 van deze beleidsregels worden de andere voorzieningen nader toegelicht. 7. Onderzoek om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening Beoordeeld wordt of de inzet van een overige voorziening een passende oplossing kan bieden voor de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s). Overige voorzieningen zijn voorzieningen die veelal vrij toegankelijk zijn. In paragraaf 3.7 wordt een overzicht gegeven van de overige voorzieningen die in de gemeente Pijnacker-Nootdorp beschikbaar zijn. 8. Onderzoek inzet individuele voorziening Na het doorlopen van bovenstaande stappen is duidelijk of, en zo ja in welke vorm, duur en frequentie het college aan de jeugdige en/of ouder(s) een individuele voorziening moet verstrekken. Als een jeugdige en/of ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, dan verstrekt het college de goedkoopst, passende, dichtstbijzijnde en tijdig beschikbare voorziening.7Zie artikel 4.1 lid 2 van de verordening Als de jeugdige of ouder(s) een duurdere voorziening willen die ook passend is, komen de meerkosten voor rekening van de ouders.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel