Gebruikelijke hulp in het kader van de Jeugdwet is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders. Zij behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht aan hen te bieden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Het college verstrekt geen individuele voorziening als sprake is van gebruikelijke hulp door ouders. In de verordening is uitgewerkt wanneer sprake is van gebruikelijke hulp.12Zie artikel 4.2 van de verordening Hierbij is aangesloten bij de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht die voortvloeit uit artikel 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit is toegestaan volgens de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 2024.13Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1095, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en ECLI:NL:CRVB:2024:1097 In deze uitspraken verwijst de Raad naar paragraaf 3.3 en de artikelsgewijze toelichting op artikel 2.1 van de Jeugdwet in de Memorie van Toelichting bij de Jeugdwet.14Zie de Memorie van toelichting bij de Jeugdwet: TK 2012–2013, 33 684, nr. 3, pagina 18, 19 en 128 Hierin is samengevat opgenomen dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Deze verplichting voor ouders is terug te zien in de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het BW.
Aan de hand van de Richtlijn gebruikelijke hulp voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel wordt beoordeeld of sprake is van gebruikelijke hulp. Deze richtlijn is gebaseerd op de CIZ-indicatiewijzer versie 7.0 januari 2014 en de hierin opgenomen richtlijnen voor gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel. De richtlijn bevat een omschrijving van de hulp en zorg die elk kind bij het opgroeien van zijn ouders nodig heeft tijdens de verschillende ontwikkelfasen.
Gebruikelijke hulp is niet of in mindere mate van toepassing als uit onderzoek blijkt dat de ouder(s) niet in staat zijn om (een aantal) taken over te nemen vanwege:
Langdurige fysieke afwezigheid van ouder(s): wanneer ouder(s) aantoonbaar langdurig fysiek afwezig zijn, bijvoorbeeld door opname in een zorginstelling, een langdurige ziekenhuisopname, detentie of een verblijf in het buitenland, wordt geen gebruikelijke hulp van hen verwacht.
Beperkingen en leerbaarheid van ouder(s): als een ouder beperkingen heeft en/of onvoldoende kennis of vaardigheden bezit om gebruikelijke hulp te bieden, wordt onderzocht of opvoedondersteuning kan helpen bij het vergroten van de kennis en het aanleren van de vaardigheden. Afhankelijk van de aard en ernst van de beperkingen kan deze ondersteuning worden geboden via het Kernteam of een individuele voorziening. Als blijkt dat de ouder de benodigde vaardigheden niet (voldoende) kan aanleren, wordt er minder of geen gebruikelijke hulp van deze ouder verwacht.
(dreigende) overbelasting van ouder(s), waarbij het evenwicht tussen draagkracht en draaglast onder spanning staat: bij het onderzoek naar gebruikelijke hulp wordt onderzocht of ouder(s) de gebruikelijke hulp daadwerkelijke kunnen bieden of dat sprake is van (dreigende) overbelasting. Indien nodig kan het college hiervoor extern medisch advies inwinnen. Als uit onderzoek blijkt dat sprake is van (dreigende) overbelasting, zal het college (tijdelijk) een voorziening verstrekken. In eerste instantie zal deze voorziening van korte duur zijn om ouder(s) de gelegenheid te bieden de (onderlinge) taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.2
Gebruikelijke hulp
Onderdeel van Beleidsregels jeugdhulp gemeente Pijnacker-Nootdorp 2025