Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2

Regels rond verstrekking en verantwoording

Onderdeel van Besluit maatschappelijke ondersteuning Barneveld

Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de aanvrager. Verstrekking als persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien: op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget; als de klantmanager bepaalt dat de gekozen voorziening niet adequaat is;. als uit onderzoek is gebleken dat de aanvrager een eerder persoonsgebonden budget niet in overeenstemming met doel en/of bestemming heeft ingezet, de klantmanager kan in individuele gevallen hiervan afwijken; op grond van de progressiviteit van het ziektebeeld de aangevraagde voorziening zo snel weer door een aangepaste voorziening vervangen moet worden dat deze verstrekking zich daardoor niet leent voor een persoonsgebonden budget; verstrekking van een persoonsgebonden budget gezien de (verwachte) korte duur van de verstrekking zou leiden tot een inefficiënte besteding van gemeentelijke middelen. Woonvoorzieningen die uitsluitend in natura kunnen worden verstrekt zijn: mobiele tilliften en douchebrancards. Een sportrolstoel wordt uitsluitend verstrekt als persoonsgebonden budget. Het bedrag van dit persoonsgebonden budget bedraagt € 2.521,- welk bedrag bedoeld is als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel voor een periode van drie jaar. De verantwoording van het persoonsgebonden budget door de budgethouder aan het college vindt als volgt plaats: voor hulp bij het huishouden binnen twee maanden na afloop van elk kalenderjaar. dan wel binnen twee maanden na de (laatste) betaling van het persoonsgebonden budget. voor overige individuele voorzieningen binnen twee maanden na besteding van het persoonsgebonden budget door het overleggen van de nota en betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening. Indien het voor de budgethouder niet mogelijk is om binnen de termijn van twee maanden de besteding van het persoonsgebonden budget te verantwoorden kan in individuele gevallen, mits gemotiveerd, eenmalig een maand uitstel worden gegeven. Hoofdstuk 3 Eigen bijdragen

Rechtspraak bij dit artikel