Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 10.

Artikel 36.

Uittreding

Onderdeel van Gemeenschappelijke Regeling Noord-Hollands Archief

1.. Uittreding uit de regeling geschiedt door toezending van het daartoe strekkende besluit van de minister of het college van de uittredende gemeente. Het college overlegt daarbij ook het besluit tot toestemming van de raad van de gemeente. 2.. De Minister of het college zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het algemeen bestuur. Daarbij wordt een opzegtermijn van één jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de Minister en de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen. 3.. Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke nadien worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan. 4. . Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend. 5. . Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen. 6. . Het bepaalde in het derde tot en met het vijfde lid is niet van toepassing op de uittreding uit de regeling door de minister.

Rechtspraak bij dit artikel