Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2.5

Onderzoek

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wierden 2026

Wanneer een inwoner een melding of aanvraag doet, start de onderzoeksfase. De gemeente kan de inwoner uitnodigen voor een gesprek. Ook huisgenoten die gebruikelijke hulp bieden, kunnen hierbij worden betrokken. Soms kan de gemeente een deskundige inschakelen om vragen te stellen of een onderzoek uit te voeren. Bij start van het onderzoek vraagt de regisseur om een geldig identiteitsbewijs, zoals een paspoort, identiteitskaart, rijbewijs of verblijfsdocument. Het onderzoek moet binnen zes weken na de melding zijn afgerond. De Centrale Raad van Beroep (CRvB), de hoogste bestuursrechter in Nederland, heeft in verschillende uitspraken aangegeven welke stappen de gemeente in dit onderzoek moet volgen. Deze stappen worden hieronder toegelicht: 1.. Na de melding wordt eerst de precieze hulpvraag vastgesteld; 2.. Vervolgens wordt bepaald wat de knelpunten in de zelfredzaamheid en participatie zijn; 3.. Als bovenstaande twee punten op papier staan, kan (en moet) duidelijk worden welke ondersteuning noodzakelijk is; 4.. Daarna wordt de eigen kracht en algemene voorzieningen in kaart gebracht; 5.. Vervolgens wordt, met de kennis van al het bovenstaande, besloten of er nog een ondersteuningsvraag overblijft die gecompenseerd moet worden. 1. Vaststellen van de hulpvraag De regisseur start met het vaststellen van de hulpvraag van de inwoner. De hulpvraag is het uitgangspunt, maar niet leidend voor het verdere onderzoeksproces. Het kan namelijk zo zijn dat, na onderzoek, blijkt dat andere hulpverlening passender is dan de concrete hulp die de inwoner vraagt. 2. In kaart brengen van knelpunten De regisseur stelt vast welke problemen de inwoner ervaart bij zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Voor het vaststellen van de problematiek is deskundigheid vereist. De regisseur beoordeelt of zij over voldoende deskundigheid beschikt om de aanvraag voor een maatwerkvoorziening zorgvuldig te kunnen beoordelen. Indien dit niet het geval is, kan de regisseur advies inwinnen bij een externe deskundige, bijvoorbeeld een medisch adviseur (zie 2.7). 3. Bepalen welke ondersteuning nodig is Wanneer de knelpunten in beeld zijn gebracht, bepaalt de regisseur welke ondersteuning nodig is, en in welke vorm, duur en frequentie. De ondersteuning moet een passende bijdrage leveren aan het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, zodat de inwoner zo lang mogelijk zelfstandig kan blijven wonen. Bij deze afweging houdt de regisseur op grond van artikel 2.3.5, vijfde lid, van de Wmo rekening met: de persoonlijke omstandigheden en mogelijkheden van de inwoner; zorg en ondersteuning vanuit andere wetten, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz); jeugdhulp op grond van de Jeugdwet; onderwijs en scholing die de inwoner volgt of kan volgen; (betaalde) werkzaamheden; ondersteuning vanuit de Participatiewet (Pw); de godsdienst, levensovertuiging en culturele achtergrond van de inwoner. 4. In kaart brengen van eigen kracht en algemene voorzieningen Wanneer duidelijk is welke ondersteuning nodig is, beoordeelt de regisseur in hoeverre de inwoner zelf, of met hulp van anderen, hierin kan voorzien. Daarbij wordt gekeken naar de inzet van: eigen kracht; algemene voorzieningen; en algemeen gebruikelijke voorzieningen. De regisseur gebruikt hierbij het algemeen afwegingskader zoals beschreven in hoofdstuk 3. 5. Concluderen wat er overblijft om te compenseren Na het doorlopen van de vier hiervoor genoemde stappen, is duidelijk of, en zo ja in welke vorm, duur en frequentie, de inwoner nog in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel