Voor de toepassing van de bepalingen van deze verordening wordt verstaan onder:
Algemene Wet: de Algemene wet inzake rijksbelastingen van 2 juli 1959 (Stb. 301);
Invorderingswet: de wet van 30 mei 1990 (Stb. 1990, nr. 221);
Vaartuig: een drijvend lichaam dat wegens zijn drijfvermogen wordt gebezigd dan wel bestemd of geschikt is voor het vervoer of verblijf te water van personen of goederen of voor het dragen of vervoeren van al dan niet met het drijvende lichaam één geheel uitmakende voorwerpen;
Meetbrief: het document bedoeld in de binnenvaartwet hoofdstuk 3 paragraaf 2.;
Schip: een binnenschip of een vissersschip;
Binnenschip: een vaartuig - niet zijnde een pleziervaartuig - dat uitsluitend wordt gebruikt voor de vaart op de binnenwateren;
Vrachtschip: een binnenschip dat hoofdzakelijk gebezigd wordt voor het vervoer van waren en/of goederen;
Sleepboot: een binnenschip dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het slepen of duwen van andere vaartuigen;
Vissersschip: een schip dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het vangen van vis, schaal- of schelpdieren uit binnen- en buitenwater;
Passagiersschip: een binnenschip, dat middel van openbaar vervoer is of hoofdzakelijk gebezigd wordt voor het bedrijfsmatig vervoer en/of verblijf van personen;
Zeilend bedrijfsvaartuig: een binnenschip, geen passagiersschip zijnde, dat overwegend of geheel met behulp van zeilen wordt voortgestuwd en dat hoofdzakelijk gebezigd wordt voor het bedrijfsmatig vervoer van personen;
Pleziervaartuig: een vaartuig, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden, niet zijnde een passagiersschip of een zeilend bedrijfsvaartuig;
Laadvermogen: het in tonnen uitgedrukte verschil tussen de zoetwaterverplaatsing van het schip bij de grootst toegelaten diepgang en die van het ledige schip;
Ton: een massa van 1.000 kilogram;
Gebruik van de haven: het in artikel 1 bedoelde gebruik;
Tabel: de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel;
Termijn: een in de tabel genoemd tijdvak waarin het gebruik van de haven plaatsvindt:
- 1 dag : een aaneengesloten tijdvak van 24 uren;
- 7 dagen : een aaneengesloten tijdvak van 7 dagen;
- 14 dagen : een aaneengesloten tijdvak van 14 dagen;
- een half jaar : een aaneengesloten tijdvak van 6 maanden;
- zomerseizoen : de periode gelegen tussen 1 april en 1 november;
- winterseizoen : de periode gelegen tussen 1 november en 1 april;
- een jaar : een kalenderjaar of een zomer- en winterseizoen samen.