De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1.1, is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting in hoofdstuk 1.1, verschuldigd voor een evenredig aantal dagen dat er in een belastingjaar, na aanvang van de belastingplicht overblijft.
Indien de belastingplicht, in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing van de belasting in hoofdstuk 1.1, voor een evenredig aantal dagen dat er in een belastingjaar, na beëindiging van de belastingplicht overblijft, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 1,00.
Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel feitelijk in gebruik neemt.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 3 en 4, is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening.
Als de belastingplicht is beëindigd na de dagtekening van de aanslag, kan de belastingplichtige een aanvraag tot ontheffing indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.
Artikel 8
Ontstaan van de belasting en heffing naar tijdsgelang
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van Afvalstoffenheffing 2026