**1..** In aansluiting op de artikelen 1.2.1, onder a. en 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015 wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt voor zover de cliënt de problematiek waarvoor in het gegeven geval een maatwerkvoorziening wordt aangevraagd, kan verminderen of wegnemen:
door gebruik te maken van zijn eigen kracht;
met gebruikelijke hulp van huisgenoten;
met mantelzorg of hulp van anderen uit zijn sociale netwerk;
door gebruik te maken van algemene voorzieningen;
door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke zaken of diensten.
**2..** Bij het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4. onder b. van de Wmo 2015 beoordeelt het college of er gebruikelijke hulp van huisgenoten als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 beschikbaar is.
Huisgenoten van de cliënt zijn verplicht, als zij daarom gevraagd worden, aan het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het onder a. genoemde onderzoek, alsmede bij heronderzoek als bedoeld in artikel 2.3.9 van de wet.
**3..** Bij de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, onder a. wordt, voor zover daartoe aanleiding is, rekening gehouden met:
de samenstelling van de leefeenheid van de cliënt en diens huisgenoot of huisgenoten;
de aard van de relatie tussen de cliënt en diens huisgenoten;
de inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt;
de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de cliënt bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;
de mate waarin en de wijze waarop de cliënt voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;
overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de cliënt hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving.
**4..** Voor gebruikelijke hulp van ouders en verzorgers aan hun kinderen geldt dat aangenomen moet worden dat ouders zorgen voor de opvoeding en veilig opgroeien van hun kinderen. Dit omvat: het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid (en voorzien in de kosten van dit alles). Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp aan de kinderen over. Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon conform de leeftijd en ontwikkeling van het kind.
**5..** Bij de beoordeling van de aanwezigheid van gebruikelijke hulp door ouders wordt aangesloten bij de uitgangspunten uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2024.
**6..** Bij de beoordeling van de zorgbehoefte van een jeugdige wordt gekeken naar de specifieke omstandigheden. Een Wlz-indicatie wijst op een zeer intensieve zorgbehoefte. Een dergelijke indicatie kan dus dienen als objectief criterium voor het bepalen van een zwaardere ondersteuningsbehoefte.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.4.2
Beoordeling aanwezigheid gebruikelijke hulp
Onderdeel van Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Doetinchem 2026