Naar hoofdinhoud

Artikel 22.

Weerstandsvermogen en risicobeheersing

Onderdeel van Verordening financieel beleid, beheer en organisatie

1.. In dit artikel wordt verstaan onder: Netto schuld per inwoner: de bruto schuld min de omvang van de geldelijke bezittingen gedeeld door het aantal inwoners op 31 december van het begrotingsjaar. Bruto schuld: het totaal van langlopende leningen, kortlopende schulden, crediteuren, vorderingen en overlopende passiva. Geldelijke bezittingen: het totaal van leningen aan deelnemingen, leningen aan overige verbonden partijen, leningen aan derden, langlopende uitzettingen, kortlopende uitzettingen, debiteurenvorderingen, liquide middelen en overlopende activa. Onbenutte belastingcapaciteit onroerendezaakbelasting: de positieve uitkomst van het verschil tussen de opbrengst van de onroerendezaakbelasting bij de tarieven die minimaal nodig zijn voor toegang tot de procedure van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet en de in de begroting (geraamde) opbrengst onroerendezaakbelasting. 2.. Het college neemt in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing de verplichte onderdelen op, die genoemd zijn in artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Die onderdelen zijn: een inventarisatie van de weerstandscapaciteit; een inventarisatie van de risico's; het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico's; een kengetal voor de: netto schuldquote; netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen; solvabiliteitsratio; grondexploitatie; structurele exploitatieruimte; en belastingcapaciteit; een beoordeling van de onderlinge verhouding tussen de kengetallen in relatie tot de financiële positie. 3.. Het college neemt in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing van de begroting en de jaarstukken in ieder geval op: de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner; het saldo van de baten en lasten voor dotaties en onttrekkingen van reserves als percentage van de inkomsten; de onbenutte belastingcapaciteit onroerendezaakbelasting als percentage van de inkomsten; de wijze waarop wordt omgegaan met risico’s van schommelingen in de economische groei en de omvang van het weerstandsvermogen; de wijze waarop met projectspecifieke risico’s wordt omgegaan bij het bepalen van de tussentijdse winstneming en de omvang van het weerstandsvermogen; 4.. De norm voor het minimaal benodigde weerstandsvermogen is 1,4 maal de omvang van alle risico’s gezamenlijk. Voor de berekening van de omvang van de risico’s wordt rekening gehouden met de kans dat een risico zich voordoet.

Rechtspraak bij dit artikel