Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 4.

Vervoersvoorziening

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp Rijswijk 2026

1.. Uitgangspunt is dat de jeugdige of zijn ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van de jeugdige naar en van een locatie waar jeugdhulp (ondersteuning, hulp of zorg) wordt geboden. 2.. Het college kent slechts een vervoersvoorziening toe als: het ingekochte jeugdhulpproduct hier niet al in voorziet; blijkt dat de jeugdige vanwege een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid niet zelfstandig kan reizen én de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van zijn ouders c.q. verzorgers ontoereikend zijn om zelf voor het vervoer te zorgen of te laten zorgen. 3.. Bij het beoordelen van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, worden ook de mogelijkheden en bereidheid van iemand uit het sociaal netwerk om de jeugdige te vervoeren, meegewogen. 4.. Als aan de voorwaarden voor vervoer is voldaan, beoordeelt het college welke (combinatie van) vervoersvoorziening(en) het meest passend is. 5.. De volgende vervoersmogelijkheden zijn mogelijk: vervoer geregeld door de jeugdhulpaanbieder; gecontracteerd vervoer met/zonder rolstoel; taxivervoer als een vervoersvoorziening als genoemd bij a en b niet mogelijk is of indien dit goedkoper is. 6.. Deze voorzieningen kunnen in natura worden verstrekt. 7.. Vervoerskosten worden in beginsel niet met terugwerkende kracht toegekend. Vervoer kan enkel met terugwerkende kracht worden toegekend in zeer bijzondere omstandigheden. 8.. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de manier waarop de voorziening wordt verstrekt en met ingang van welke datum de voorziening wordt verstrekt. Ook bepaalt het college de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. 9.. De noodzaak voor een vervoersvoorziening wordt opgenomen in het ondersteuningsplan.

Rechtspraak bij dit artikel