Een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo wordt afgestemd op voorzieningen vanuit andere wet- en regelgeving waar een client aanspraak op kan maken.
Beleidsregel 1.5.1 Wet langdurige zorg (Wlz):
Een maatwerkvoorziening wordt geweigerd indien de cliënt aanspraak heeft op verblijf in een instelling op grond van de Wlz of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop een aanspraak kan doen maar weigert om hieraan mee te werken.
Wet- en regelgeving: Wmo artikel 2.3.5 lid 6
Iemand met een Wlz-indicatie verblijf die het verblijf niet verzilvert, of iemand die aanspraak zou kunnen maken op deze indicatie, heeft geen recht op maatwerkvoorzieningen. Met uitzondering van:
Doelgroepenvervoer
Rolstoel
Vervoermiddelen
Woningaanpassing
Woonvoorzieningen/woonhulpmiddelen
Iemand met een Wlz indicatie verblijf die het verblijf verzilvert in een zorginstelling heeft geen recht op maatwerkvoorzieningen. Met uitzondering van:
Doelgroepenvervoer
Bezoekbaar maken van één woning binnen het sociaal netwerk van de cliënt indien de cliënt verblijft in een Wlz-instelling binnen de MVS-regio (zie beleidsregel 2.6.10)
Een Wlz-indicatie verblijf is aan de orde wanneer de cliënt langdurig permanent toezicht nodig heeft of behoefte heeft aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Het gaat bij permanent toezicht om toezicht waarop de cliënt op basis van aandoeningen, stoornissen en beperkingen noodzakelijkerwijs blijvend is aangewezen op regelmatige en onregelmatige momenten en die geboden wordt op basis van actieve observatie. Vanaf 2021 is er voor cliënten met psychiatrische problematiek van langdurige aard toegang tot de Wlz in plaats van beschermd wonen op grond van de Wmo. Indien een client niet leerbaar is of blijkt en de beperkingen chronisch van aard zijn, moet beoordeeld worden of de Wlz voorliggend is.
Beleidsregel 1.5.2 zorgverzekeringswet:
Indien de zorgverzekeringswet mogelijkheden biedt, waarmee een cliënt voldoende in staat is tot zelfredzaamheid en participatie, is er geen noodzaak voor een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo.
Wet- en regelgeving: Wmo artikel 2.3.2 lid 4 sub f, artikel 2.3.5 lid 5 sub b, Verordening artikel 4 lid 1 sub g
Indien er een voorziening op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) mogelijk is, dient te worden onderzocht of op grond van de Wmo (nog) een maatwerkvoorziening moet worden verstrekt.
Voorbeelden van voorzieningen of aanspraak vanuit de Zvw:
uitleenhulpmiddelen, zoals rolstoelen en douche-/toiletstoelen voor tijdelijke beperkingen (korter dan 6 maanden);
begeleiding die nodig is bij of naar aanleiding van (geneeskundige) zorg die medisch specialisten bieden;
begeleiding die nodig is bij behandeling of revalidatie;
(dagelijkse) persoonlijke verzorging en/of verpleging, waardoor al een dagstructuur/dagelijkse routine wordt geboden en geen of minder individuele begeleiding nodig is.
Uitzonderingen:
behandelmijding, bijvoorbeeld bij een verstoorde oordeelsvorming of het ontbreken van ziektebesef en/of ziekte-inzicht en er een risico op verwaarlozing bestaat (ondersteuning zal dan ook gericht zijn om cliënt tot de noodzakelijke behandeling te bewegen);
ambulante behandeling die de cliënt onvoldoende zelfredzaamheid en participatie biedt.
De aanvullende verzekering valt niet onder de zorgverzekeringswet. Een theoretische aanspraak op een voorziening of aanspraak vanuit de aanvullende verzekering biedt geen feitelijke oplossing voor de cliënt aangezien het cliënten vrij staat om zich aanvullend te verzekeren. Indien cliënten een aanvullende verzekering hebben, moeten ze gebruik maken van de mogelijkheden die deze biedt, wat van invloed kan zijn op de noodzaak voor of de omvang van een indicatie van een maatwerkvoorziening. Een voorbeeld van een mogelijkheid binnen een aanvullende verzekering is mantelzorgvervanging.
Ouders zijn primair verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Verwacht wordt dat ouders zelf alle mogelijkheden inzetten om een opvangprobleem op te lossen. Het gebruik van kinderopvang, mits beschikbaar, is voorliggend bij uitval van (één van) de ouders bij het verzorgen van de kinderen.
Wanneer de ouder(s)/verzorger(s) in een gezin ondersteuning nodig hebben bij hun eigen zelfredzaamheid en participatie kan, naast de eventuele jeugdhulp voor het kind, een beroep worden gedaan op Wmo-voorzieningen. Voor de weging van de inzet vanuit het Wmo-kader is de context van het gezin en de mogelijke combinatie met de inzet vanuit andere wettelijke kaders van belang. De inzet vanuit de Wmo moet de goedkoopst adequate oplossing zijn voor het gezin, eventueel in samenhang met de inzet vanuit de Jeugdwet. Dit betekent dus dat de inzet vanuit het Wmo-kader in een huishouden met kinderen groter kan zijn dan in een huishouden zonder kinderen.
Begeleiding van kinderen met problemen is primair de verantwoordelijkheid van ouders en de school. Er zijn onder andere mogelijkheden vanuit de Jeugdwet en de Wet passend onderwijs.
Beleidsregel 1.5.4 Jeugdwet:
Voor kinderen/jeugdigen tot 18 jaar geldt dat de Jeugdwet voorliggend is op de Wmo voor meedoen in de stad met ondersteuning op maat.
Wet- en regelgeving: Wmo artikel 2.3.5 lid 5 sub c & Verordening artikel 4 lid 1 sub g, artikel 7 lid 2
Kinderen/jeugdigen tot 18 jaar maken op grond van de Wmo wel aanspraak op hulpmiddelen en woningaanpassingen.
Beleidsregel 1.5.5 Participatiewet/WAO/WIA/Wajong/Ziektewet:
Wanneer de cliënt met ondersteuning in staat is om (aangepast) te werken of om naar school te gaan/te studeren, bestaat er geen aanspraak op dagbesteding binnen meedoen in de stad met ondersteuning op maat. Alleen wanneer de cliënt volledig arbeidsongeschikt is of langdurig (> 6 maanden) ontheven is van de arbeidsverplichting, kan dagbesteding worden verstrekt ter vervanging van arbeid. Voor begeleiding tijdens werk/school/studie is geen ondersteuning mogelijk.
Wet- en regelgeving: Wmo artikel 2.3.5 lid 5 sub d, e, f en g & Verordening artikel 4 lid 1 sub g, artikel 7 lid 2
Mogelijke uitzonderingen:
er is (tijdelijk) geen werk/school/studie beschikbaar voor de cliënt;
een cliënt heeft een deeltijd werkweek op medische gronden (overige dagdelen is dagbesteding mogelijk indien noodzakelijk).
Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en/of kans op herstel, ligt de nadruk op re-integratie. Hiervoor ligt de verantwoordelijkheid bij het UWV voor de WAO/WIA of bij de gemeente voor de Participatiewet.
Beleidsregel 1.5.6 Vervoersvoorziening voor werk:
Indien een cliënt aanspraak heeft of zou kunnen maken op een vervoersvoorziening via het UWV en deze biedt voldoende mogelijkheid tot participatie, is geen noodzaak voor een maatwerkvoorziening.
Wet- en regelgeving: Wmo artikel 2.3.5 lid 5 sub e & Verordening artikel 4 lid 1 sub g, artikel 7 lid 2
Via het UWV kan men in aanvulling op een vergoeding voor woon-werkverkeer, ook aanspraak maken op sociaal vervoer (combinatie werk-leefvervoer). Indien deze vervoersvoorziening de cliënt voldoende in staat stelt tot participatie, bestaat er op grond van de Wmo geen recht op een vervoersvoorziening.
Beleidsregel 1.5.7 Subsidieregeling ADL-assistentie Fokus:
Ondersteuning in en om de Fokuswoning maakt onderdeel uit van de aanspraak op ADL- assistentie middels een subsidieregeling, zodat maaltijdverzorging als maatwerkvoorziening niet noodzakelijk is en meedoen in de stad met ondersteuning op maat alleen aanvullend op de ADL-assistentie kan worden toegekend.
Wet- en regelgeving: Verordening artikel 4 lid 1 sub g, artikel 7 lid 2
De ADL-assistentie biedt naast alle persoonlijke verzorging, ondersteuning bij de dagelijkse routine en structuur en bij het voeren van regie. Ook ondersteunt de ADL-assistentie bij praktische vaardigheden en handelingen ten behoeve van de zelfredzaamheid, waaronder hulp bij het bereiden van de maaltijden.
Hoofdstuk 1
Artikel 1.5
Afbakening andere wet- en regelgeving
Onderdeel van Beleidsregels en nadere regels maatschappelijke ondersteuning Maassluis Vlaardingen Schiedam 2026