Naar hoofdinhoud
Beleidsregel 2.6.1 primaat verhuizen: Als de kosten van een woningaanpassing hoger zijn dan € 6.000,00 en er bestaan voor de cliënt geen zwaarwegende redenen die zich verzetten tegen een verhuizing, dan is uit oogpunt van de goedkoopst adequate voorziening, verhuizen voorliggend aan het aanpassen van de woning (primaat verhuizen). Wet- en regelgeving: Verordening artikel 7 lid 6 Bij woningaanpassingen, waarbij de kosten voor het volledig geschikt maken van de woning hoger zijn dan € 6.000,-, wordt beoordeeld of verhuizen mogelijk is en de goedkoopst adequate oplossing is. Er moet worden verantwoord waarom verhuizen ofwel het verstrekken van een verhuiskostentegemoetkoming geen adequate oplossing is. Het primaat ligt immers bij verhuizen. Bij de afweging tussen aanpassen of verhuizen wordt er behalve met de kosten in verband met het verstrekken van de goedkoopst adequate voorziening met de volgende factoren rekening gehouden: aanwezigheid/beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woonruimte in MVS; volkshuisvestelijke afwegingen; termijn waarop het woonprobleem opgelost kan worden; medische redenen waardoor een verhuizing niet mogelijk is; prognose ten aanzien van de beperkingen en toekomstige noodzaak tot woningaanpassingen; mantelzorg van buren (niet zijnde familie); buurt-/wijkgebonden vrijwilligerswerk; al dan niet een eigen woning en de mogelijke consequenties daarvan (restschuld bij verkoop); noodzaak tot verhuizen door inkomensachteruitgang; verhouding van de stijging van eventuele woonlasten in relatie tot het inkomen. Beleidsregel 2.6.2 verhuiskostentegemoetkoming: Een verhuiskostentegemoetkoming wordt slechts verstrekt indien verhuizen naar een andere woning noodzakelijk is vanwege beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie en het woonprobleem niet op een eenvoudigere/goedkopere wijze is op te lossen. Wet- en regelgeving: Verordening artikel 7 Uitsluitingen voor de verstrekking van een verhuiskostentegemoetkoming: de noodzaak voor de verhuizing was voor de cliënt vermijdbaar en/of voorzienbaar, tenzij van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen; de noodzaak voor de verhuizing is het gevolg van een eerdere verhuizing naar een voor de cliënt reeds ongeschikte woning of een woning waarvan destijds reeds te voorzien was dat deze binnen afzienbare tijd niet meer geschikt zou zijn; de cliënt gaat voor het eerst zelfstandig wonen (iedereen gaat eens zelfstandig wonen waarmee die kosten algemeen gebruikelijk zijn); de cliënt verhuist vanuit en/of naar een woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door te bewonen; de cliënt verhuist vanuit of naar een niet zelfstandige woonruimte (kamerhuur, inwoning, instelling, revalidatiecentrum, gezinsvervangend tehuis, etc.); de cliënt verhuist naar een woonruimte die gezien zijn (toekomstige) beperkingen niet geschikt is; de cliënt voor een andere (wettelijke) regeling in aanmerking komt; de cliënt reeds een huurcontract of een voorlopig koopcontract heeft getekend voorafgaand aan de datum waarop de beschikking op de aanvraag is genomen, tenzij hiervoor schriftelijk toestemming is verleend aan de cliënt; indien aan een huisgenoot van de cliënt reeds een verhuiskostentegemoetkoming is verstrekt. Beleidsregel 2.6.3 woningaanpassing: Een woningaanpassing moet gericht zijn op de toegankelijkheid van de woning, de doorgankelijkheid van de woning en/of de bruikbaarheid van de woning voor de cliënt en moet betrekking hebben op de elementaire woonfuncties. Wet- en regelgeving: Wmo artikel 1.1.1 en Verordening artikel 7 Voor de toegankelijkheid geldt dat de woning slechts via één ingang (rolstoel)toegankelijk hoeft te zijn. Voor de bruikbaarheid van de keuken geldt dat aanpassing noodzakelijk moet zijn en de cliënt de hoofdgebruiker is van de keuken ten aanzien van het bereiden van de warme maaltijden. Eenvoudige verrichtingen zoals koffie en theezetten en brood klaarmaken kunnen (in een andere ruimte) aan een tafel worden uitgevoerd en afwassen kan met een algemeen gebruikelijke afwasmachine. Beleidsregel 2.6.4 achterstallig onderhoud: Een woningaanpassing wordt niet verstrekt indien het woonprobleem voortvloeit uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, het gevolg zijn van achterstallig onderhoud of opgelost kunnen worden door algemeen gebruikelijk onderhoud. Wet- en regelgeving: Verordening artikel 7 lid 3 en 4 sub g Een eigenaar van een woning is verantwoordelijk voor onderhoud en renovatie. Indien bijvoorbeeld straatwerk in de tuin verzakt is, dan betreft het ophogen hiervan algemeen gebruikelijk onderhoud. Beleidsregel 2.6.5 inadequate verhuizing: Een woningaanpassing wordt geweigerd indien de noodzaak van deze aanpassing het gevolg is van een voor de cliënt niet noodzakelijke verhuizing en/of indien de cliënt is verhuisd naar een voor hem ongeschikte woning. Wet- en regelgeving: Verordening artikel 7 lid 4 sub c & sub d Een cliënt moet bij de keuze van een andere woning rekening houden met zijn bestaande en in de toekomst te verwachten beperkingen. Een uitzondering is mogelijk indien een wijziging van de leefsituatie een verhuizing dringend noodzakelijk maakte. Hierbij kan gedacht worden aan het aanvaarden van een andere baan in een andere omgeving. De cliënt dient dan wel vooraf toestemming te vragen, zodat beoordeeld kan worden of er (meer) geschikte woningen beschikbaar zijn. Beleidsregel 2.6.6 ADL-clusterwoning en MIVA-woningen: In ADL-clusterwoningen en MIVA-woningen worden uitsluitend woningaanpassingen met een individueel karakter verstrekt. Aanpassingen die in het algemeen gelden voor mensen met een (zware) lichamelijke beperking, zoals de rolstoeltoe- en doorgankelijkheid van de woning, worden niet verstrekt. Wet- en regelgeving: Verordening artikel 7 Een ADL-clusterwoning, ook wel bekend als Fokuswoning, is een woning die zich bevindt in een cluster van 12 tot 24 woningen en die bestemd is voor mensen met een zware lichamelijke beperking die zijn aangewezen op hulp bij algemene dagelijkse levensverrichtingen vanuit een centraal gelegen unit. Daarnaast bestaan er in de regio de zogenaamde MIVA-woningen. Dit zijn woningen die volledig rolstoelgeschikt zijn en bestemd zijn voor minder valide personen. Het uitgangspunt is immers dat deze woningen reeds geschikt zijn voor de doelgroep. Beleidsregel 2.6.7 rust- en herstelruimte: Een cliënt komt slechts in aanmerking voor een uitraasruimte wanneer sprake is van een gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot rust kan komen. Wet- en regelgeving: Verordening artikel 7 Bepaalde gedragsproblemen van mensen met een verstandelijke beperking, bijvoorbeeld hyperactiviteit en moeilijkheden in het doseren van omgevingsprikkels, kunnen (op bepaalde tijden) aanleiding geven tot problemen bij het verblijf van deze persoon in de woonruimte. Deze problemen kunnen worden opgevangen door in de woning over een rust- en herstelruimte te beschikken. Bij een rust- en herstelruimte gaat het om een kamer (verblijfsruimte) waarin de cliënt tot rust kan komen. Dit kan ook een slaapkamer van de cliënt zijn. De rust- en herstelruimte is bedoeld om de cliënt tegen zichzelf te beschermen, alsmede om de ouders/verzorgers in staat te stellen beter toezicht uit te oefenen. Het moet er om gaan dat de rust- en herstelruimte het belang van de cliënt dient. Gaat het bij de gevolgen van de gedragsproblemen niet om de belangen van de cliënt, maar om die van huisgenoten die hinder ondervinden van de cliënt, dan is er geen noodzaak tot het verstrekken van een rust- en herstelruimte. Beleidsregel 2.6.8 primaat losse woonunit: Indien een woningaanpassing bestaat uit een aanbouw aan of een aanzienlijke verbouwing van een woning, die niet het eigendom is van een verhuurder die bereid is de aangepaste woning blijvend ter beschikking te stellen aan gehandicapten, is het plaatsen van een herplaatsbare losse woonunit voorliggend aan een aanpassing. Wet- en regelgeving: Verordening artikel 7 Een losse woonunit is een herplaatsbare voorziening, met hierin een rolstoelgeschikte badkamer en/of een rolstoelgeschikte slaapkamer. Bij de keuze voor een losse woonunit of een aanpassing aan de woning (aanbouw) worden onder meer de kosten en de toekomstige beschikbaarheid van de woning inclusief aanpassing voor minder validen beoordeeld. Omdat bij eigen woningen en bij woningen van particuliere verhuurders de kans op hergebruik van de aanbouw miniem is, zal in dergelijke gevallen een voorkeur bestaan voor het plaatsen van een losse woonunit. Beleidsregel 2.6.9 aanpassingen in gemeenschappelijke ruimten: In gemeenschappelijke ruimten worden ten behoeve van de toegankelijkheid van de woning voor een cliënt uitsluitend automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen verstrekt. Wet- en regelgeving: Verordening artikel 7 lid 4 sub f Een traplift wordt in principe niet geplaatst in een gemeenschappelijke ruimte. Indien de toegankelijkheid niet aangepast kan worden, dan is verhuizen de enige optie. Wanneer de kosten voor de toegankelijkheidsaanpassing hoog zijn, dient altijd het primaat van verhuizen afgewogen te worden (beleidsregels 2.6.1). Beleidsregel 2.6.10 bezoekbaar maken: Voor een cliënt kan slechts één woonruimte van een familielid bezoekbaar gemaakt worden tot een vastgesteld drempelbedrag, waarbij de bezoekbaarheid zich beperkt tot het bereiken van de woonkamer en het toilet. Wet- en regelgeving: Verordening artikel 7 Indien de cliënt zijn hoofdverblijf in een WLZ-instelling heeft en regelmatig de woning van bijvoorbeeld de partner, de ouders of een ander familielid bezoekt in de regio MVS, kan de betreffende woning bezoekbaar gemaakt worden voor cliënt. Voorwaarden: Voor een cliënt kan slechts één woning bezoekbaar gemaakt worden; De cliënt verblijft in een instelling in Maassluis, Vlaardingen of Schiedam; De aan te passen woning moet zich bevinden in Maassluis, Vlaardingen of Schiedam; Het moet gaan om regelmatig bezoek (wekelijks). Alleen het bereikbaar/toegankelijk maken van de woning en het bereikbaar maken van de woonkamer en het toilet behoren tot het bezoekbaar maken. Aanpassingen ten behoeve van het gebruik van een logeerkamer en een badkamer is niet mogelijk. Beleidsregel 2.6.11 aanpassingen stalling scootermobiel/scootersafe: Een woningaanpassing ten behoeve van het stallen van een scootmobiel of het plaatsen van een scootersafe bij de woning vindt uitsluitend plaats indien de woning voor de cliënt langdurig geschikt is en er geen goedkoper alternatief is voor het stallen van de scootmobiel. Wet- en regelgeving: Verordening artikel 7 Bij verstrekking van een vervoermiddel zoals een scootmobiel of een elektrische buitenrolstoel kan een woonvoorziening aan de orde zijn, zoals het plaatsen van een stopcontact, het aanbrengen van nivelleringsdrempels, het plaatsen van elektrische deuropeners en/of het verbreden van een deur. Uitgangspunt is de goedkoopst adequate stallingsmogelijkheid ook wanneer dit het stallen van de scootmobiel in de woning zelf is. Het komt voor dat ingrijpende aanpassingen aan een woning nodig zijn of dat een scootersafe nodig is. Er moet dan worden afgewogen of primaat verhuizen niet voorliggend is (beleidsregel 2.6.1).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel