Naar hoofdinhoud
1.. Het college verleent: mandaat aan de directeur voor het uitoefenen van de bevoegdheden en machtiging aan de directeur voor het verrichten van feitelijke handelingen, voor zover de bevoegdheid of handeling is genoemd in de bijlage bij dit besluit en de uitoefening daarvan noodzakelijk is voor het verrichten van de taken van de omgevingsdienst, op grond van de dienstverleningsovereenkomst het bijbehorende uitvoeringsprogramma en aanvullende opdrachten. 2.. De bevoegdheden bedoeld in het eerste lid, behelzen niet de bevoegdheid te beslissen op bezwaarschriften, bedoeld in afdeling 7.2 van de Algemene wet bestuursrecht. 3.. De bevoegdheden bedoeld in het eerste lid, behelzen niet de bevoegdheid te besluiten tot de intrekking van een vergunning overeenkomstig artikel 18.10 Omgevingswet. 4.. De directeur kan voor de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en voor de handelingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, alleen schriftelijk ondermandaat en ondermachtiging verlenen aan functionarissen die werkzaam zijn voor de omgevingsdienst. 5.. Wat in dit besluit is bepaald met betrekking tot mandaat is van overeenkomstige toepassing op machtiging en op ondermandaat en ondermachtiging. 6.. Uit de ondertekening van besluiten en stukken, op basis van het eerste lid, moet blijken dat het betreffende besluit of het stuk namens het college is genomen of is vastgesteld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel