Naar hoofdinhoud

Artikel 6.

Hoogte pgb woonvoorziening

Onderdeel van Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Hattem 2026

1.. Bij woonvoorzieningen en woningaanpassingen geldt het primaat van verhuizen. Wanneer de kosten van een woningaanpassing meer bedragen dan € 3.350,- wordt afgewogen of verhuizen naar een geschikte woning als goedkoopst compenserende voorziening kan worden aangemerkt. 2.. Voor woonvoorzieningen dient de inwoner en/of de verhuurder van de woning twee gespecificeerde offertes aan te leveren. De inwoner doet zelf onderzoek naar de goedkoopst adequate voorziening. Het college stelt de tegemoetkoming/vergoeding vast op basis van de goedkoopst adequaat uitgebrachte offerte. Bij een grote woningaanpassing kan ook een calculatie van de kosten uitgevoerd worden in opdracht van de gemeente door het aanwijzen van een partij hiervoor door de gemeente. 3.. De volgende kosten komen voor vergoeding in aanmerking: een bouwkundige of woontechnische voorziening in een woning (woningaanpassing), voor zover de kosten betrekking hebben op: de aanneemsom; de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten; het architectenhonorarium; het toezicht op de uitvoering, indien noodzakelijk; de leges die betrekking hebben op het treffen van de voorziening; de verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting; het toezicht op de uitvoering, indien noodzakelijk; de leges die betrekking hebben op het treffen van de voorziening; de verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting; renteverlies, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen; de prijs van bouwrijpe grond indien noodzakelijk en het oppervlakte van deze grond gemaximeerd door het gestelde in de onderstaande ‘Voorwaarden extra grond ten behoeve van een woonvoorziening; de door burgemeester en wethouders (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn; de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; of de kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening; een niet-bouwkundige of niet-woon-technische voorziening in een woning, zoals woninguitrusting; een uitraasruimte; onderhoud, keuring en reparatie van een gerealiseerde woningaanpassing; tijdelijke huisvesting. 4.. Het college kan een voorschot verstrekken. 5.. De inwoner dient de aangekochte voorziening te verantwoorden door het overleggen van een factuur en een betalingsbewijs. 6.. De kosten voor verzekering en onderhoud kunnen jaarlijks gedeclareerd worden aan de hand van een factuur en een betalingsbewijs. 7.. Het college vergoedt na overleg van het betalingsbewijs de daadwerkelijk gemaakte kosten. 8.. De inwoner ontvangt een voorziening voor de duur van minimaal de afschrijvingstermijn van 10 jaar, tenzij de voorziening niet meer adequaat is. 9.. Indien de woning met de door de gemeente bekostigde woningaanpassing binnen 10 jaar wordt verkocht dan dient de inwoner een deel van de kostprijs terug te betalen. Bij een afschrijvingstermijn van 10 jaar wordt onderstaand schema gehanteerd om de restwaarde te bepalen berekend per jaar: Periode Terug te betalen deel eerste jaar na gereedmelding 80% van de kostprijs tweede jaar na gereedmelding 70% van de kostprijs derde jaar na gereedmelding 60% van de kostprijs vierde jaar na gereedmelding 50% van de kostprijs vijfde jaar na gereedmelding 40% van de kostprijs zesde jaar na gereedmelding 30% van de kostprijs zevende jaar na gereedmelding 20% van de kostprijs achtste jaar na gereedmelding 10% van de kostprijs negende jaar na gereedmelding 5% van de kostprijs tiende jaar na gereedmelding 0 % van de kostprijs 10.. De afschrijvingstermijn gaat in op de datum van de gereedmelding van de aanpassing.

Rechtspraak bij dit artikel