Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6. › Paragraaf 6.3.

Artikel 6.3.4.

Het exploitatieverbod

Onderdeel van Beleidsregels uitvoering gemeentelijke taken Wet kinderopvang Haarlemmermeer 2025

De bevoegdheid om een exploitatieverbod op te leggen vloeit voort uit artikel 1.66 Wko. Bij een exploitatieverbod verbieden wij de houder om de voorziening in exploitatie te nemen of te houden. Dit is een zwaar handhavingsmiddel vanwege de verstrekkende gevolgen voor de houder, de ouders en de kinderen. Zodra de houder de maatregelen uit het exploitatieverbod of het eventueel daaraan voorafgaande bevel of de aanwijzing heeft opgevolgd, dient hij de gemeente daarover schriftelijk te berichten. De houder geeft in dat bericht een opsomming van de genomen maatregelen waaruit moet blijken dat hij aan de kwaliteitseisen zal gaan voldoen. Wij kunnen de GGD opdracht geven om naar aanleiding van deze melding op korte termijn te onderzoeken of de kinderopvangvoorziening voldoet aan de kwaliteitseisen van de Wko en onderliggende regelgeving. Hierna informeren wij de houder of het verbod nog blijft gelden. Als bij het verstrijken van de gestelde termijn de kwaliteitseisen niet voldoende worden nageleefd, volgt het besluit tot intrekken van de toestemming tot exploitatie. Een exploitatieverbod kan geïndiceerd zijn als: er veel overtredingen ineens worden geconstateerd; na langdurige handhaving waarbij de verbetering uitblijft, minimaal is of wanneer steeds andersoortige overtredingen worden geconstateerd; er niet meer gesproken kan worden van verantwoorde kinderopvang; de houder een bevel van de toezichthouder niet opvolgt. Bij gastouderopvang gaan wij sneller over tot een exploitatieverbod, omdat de kwaliteit van de opvang onlosmakelijk verbonden is aan de gastouder. Bij herhaling van overtredingen daalt het vertrouwen dat de gastouder de kwaliteit van de opvang verbetert en behoudt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel