Naar hoofdinhoud

Artikel 8.

Weigerings-, intrekkings- en wijzigingsgronden

Onderdeel van Algemene subsidieverordening Midden-Delfland 2026

1.. Het college kan, naast de in artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 Awb genoemde weigeringsgronden, de subsidie in ieder geval weigeren: als de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet passen in het beleid van de gemeente; als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente, het landschap van Midden-Delfland of haar ingezetenen, of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente, het landschap van Midden-Delfland of haar ingezetenen; als de activiteiten niet algemeen toegankelijk zijn voor de beoogde doelgroep, tenzij de aard van de activiteit dat rechtvaardigt; als de activiteiten primair gericht zijn op het uitdragen van levensbeschouwelijke of politieke overtuigingen; als de activiteiten uitsluitend dienen ter viering van een jubileum of lustrum; voor zover de activiteiten gericht zijn op het behalen van winst zonder maatschappelijk doel; als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het uitvoeren van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd; als de activiteiten of het beoogde doel reeds op andere wijze wordt gefinancierd; in het geval en onder de voorwaarden, als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen; als de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde; als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift; in de bij de geldende subsidieregeling bepaalde gevallen; voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd geen of onvoldoende gelden op de begroting zijn gereserveerd; gegronde reden bestaat om aan te nemen, dat de aanvrager niet de capaciteiten heeft om de prestatie(s)/activiteit(en) naar behoren uit te voeren of de rechtsvorm van de organisatie niet geschikt is om de activiteiten te verwezenlijken waarvoor subsidie is aangevraagd; de verlening de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen door begunstiging van bepaalde ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; als de aanvrager of een persoon wiens gedraging aan hem kan worden toegerekend handelt in strijd met de krachtens wettelijk voorschrift geregelde verplichting om aanwijzingen van een toezichthouder in acht te nemen of in strijd met artikel 5:20, eerste lid, van de Awb. 2.. Het college kan, naast de in artikel 4:48-4:50 van de Awb genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden, de subsidie intrekken of wijzigen: indien de ontvanger niet voldoet aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen; indien onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de subsidie op basis van juiste gegevens niet of anders zou zijn verstrekt; in het geval en onder de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. 3.. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb weigert het college de subsidie in ieder geval: als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt; als tegen de aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard. 4.. Besluiten op grond van dit artikel worden genomen met inachtneming van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en andere toepasselijke wet- en regelgeving op het gebied van privacy.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel