**1..** De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren.
**2..** In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon inloggen op de centrale computer.
**3..** De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet in afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990, worden betaald uiterlijk drie maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.
**4..** In afwijking van het bepaalde in het vorige lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het belastingjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste drie en ten hoogste tien bedraagt. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
**5..** Een naheffingsaanslag parkeerbelasting moet binnen 1 maand na dagtekening van de duplicaat naheffingsaanslag worden betaald.
**6..** De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 7.
Termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2026