Bij het vaststellen van de behoefte aan jeugdhulp is het essentieel om de draagkracht en draaglast van het gezin zorgvuldig in kaart te brengen. Dit proces omvat diverse aspecten en is toegelicht in de nadere regels:
CIZ Indicatiewijzer - Toelichting op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014, zoals vastgesteld door het ministerie van VWS, Versie: 7.1, juli 2014.
Draagkracht en verantwoordelijkheden van ouders
Zolang ouders in staat zijn om persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf te bieden, kent het college geen individuele jeugdhulpvoorziening toe.
Balans tussen draaglast en draagkracht
Het onderzoek naar de balans tussen draaglast en draagkracht, zoals bedoeld in artikel 8, beoordeelt of ouders en hun sociale omgeving voldoende mogelijkheden en probleemoplossend vermogen hebben om de noodzakelijke zorg te bieden.
Kortdurend versus langdurende situaties
Het college maakt een onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:
Kortdurend: Er is uitzicht op herstel binnen een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar
Langdurend: Hierbij gaat het om chronische situaties waarbij de zorg naar verwachting langer dan drie maanden nodig zal zijn of meerdere periodes van drie maanden binnen één kalenderjaar omvat.
Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren:
de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;
de mate van planbaarheid van de hulp;
het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders;
de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige;
vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond);
of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden ;
welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen;
de woonsituatie;
de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet);
is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen ;
overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht.
Gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp
Ouders/verzorgers hebben de verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de ontwikkeling van hun kind naar zelfredzaamheid en zelfstandigheid door:
Een veilige en beschermde woonomgeving: dit omvat zowel fysieke als sociale veiligheid,
Een passend pedagogisch klimaat: het bieden van een stimulerende omgeving die bijdraagt aan de ontwikkeling van de jeugdige,
Verzorging, begeleiding en opvoeding: dagelijkse hulp en ondersteuning die aansluit bij de levensfase van het kind.
Het wordt als gebruikelijk beschouwd dat ouders hun kind de dagelijkse zorg en ondersteuning bieden die nodig is, zelfs als dit meer omvat dan wat normaal is voor kinderen van dezelfde leeftijd. Dit geldt in het bijzonder voor kinderen met een chronische aandoening, ziekte, stoornis of beperking. Aangezien ieder kind zich op een unieke manier ontwikkelt, kan de benodigde begeleiding en hulp variëren. Het uitgangspunt is dat ouders/verzorgers zoveel mogelijk de dagelijkse hulp bieden, ook als dit intensiever is dan bij gezonde kinderen in dezelfde leeftijdscategorie.
De nadere definitie van gebruikelijke hulp is volgens de gemeente Maashorst de zorg die ouders/verzorgers geacht wordt te bieden die volgens algemeen aanvaardbare maatstaven redelijk is. Dit omvat specifiek de verzorging, opvoeding en het toezicht die ouders/verzorgers aan hun minderjarige kind behoren te geven, ongeacht of er sprake is van een ziekte, aandoening of beperking. Deze verwachtingen zijn in redelijkheid gebaseerd op de leeftijd van het kind en een bijpassend ontwikkelingsprofiel.
Er is sprake van bovengebruikelijke hulp wanneer de noodzakelijke verzorging en hulpverlening voor een kind in langdurige situaties meer omvat dan wat een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft. Dit betreft de aard, frequentie en benodigde tijd voor de handelingen. Het college kan in beleidsregels niet exact vaststellen hoeveel hulp gebruikelijk is; dit moet beoordeeld worden op basis van de individuele omstandigheden van elk kind.
Gebruikelijke hulp, zoals gedefinieerd in artikel 1 lid 1 onderdeel d van de verordening, wordt als onderdeel gezien van de eigen mogelijkheden. Wanneer gebruikelijke hulp volstaat, is geen inzet van jeugdhulpvoorzieningen noodzakelijk.
De toetsing van gebruikelijke hulp kent verschillende factoren:
Leeftijd van de jeugdige
Bij de beoordeling of er sprake is van gebruikelijke hulp, worden verschillen tussen jeugdigen in dezelfde leeftijdscategorie in acht genomen. Gezonde jeugdigen kunnen namelijk ook verschillen in de hulpvraag die zij hebben. In Bijlage 2 is een overzicht te vinden van de gebruikelijke hulp van ouders/verzorgers voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen.
Voorbeeld gebruikelijke hulp: Een kind van 4 jaar dat overdag niet zindelijk is en ondersteuning nodig heeft. Het is namelijk niet altijd het geval dat een kind van 4 zindelijk is.
Voorbeeld bovengebruikelijke hulp: Het verschonen van een 12-jarig kind kan als bovengebruikelijke hulp worden gezien. Het is namelijk niet gebruikelijk dat een kind van 12 nog verschoond moet worden.
Aard van de hulphandelingen
Als het kind de hulphandelingen zelfstandig kan uitvoeren, vallen deze altijd onder gebruikelijke hulp. Dit geldt ook als daarbij toezicht of aansturing nodig is. Handelingen die niet standaard bij alle kinderen voorkomen, kunnen ook onder gebruikelijke hulp vallen, mits ze een gebruikelijke hulphandeling vervangen.
Voorbeeld gebruikelijke hulp: Het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen.
Voorbeeld bovengebruikelijke hulp: Een blijvende noodzaak voor de (volledige) overname van de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) van een kind vanaf ongeveer 5 jaar, gecombineerd met blijvende beperkingen in de sociale redzaamheid en cognitief functioneren.
Frequentie en patroon van hulphandelingen
Gebruikelijke hulp omvat hulphandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse hulp aan een kind, zoals drie keer per dag eten.
Voorbeeld gebruikelijke hulp: Het geven van medicatie bij het ontbijt en naar bed gaan.
Voorbeeld bovengebruikelijke hulp: Het voeden van een kind via een sonde dat vaker moet gebeuren dan de normale eet- en drinkmomenten.
Mate van planbaarheid van de benodigde zorg
De mate van planbaarheid van de benodigde zorg speelt een rol bij de bepaling of er sprake is van gebruikelijke hulp.
Voorbeeld gebruikelijke hulp: Het geven van sondevoeding op vaste tijden.
Voorbeeld bovengebruikelijke hulp: Het verlenen van hulp bij een kind met epilepsie tijdens een aanval.
Tijdsomvang van de hulphandelingen
De benodigde tijd voor hulphandelingen speelt een rol bij de bepaling of er sprake is van gebruikelijke hulp.
Voorbeeld gebruikelijke hulp: Het aankleden van een kind met een arm of been in het gips. De extra tijd die hiervoor nodig is, valt onder gebruikelijke hulp.
Voorbeeld bovengebruikelijke hulp: De extra tijd die nodig is bij het aankleden en wassen van een 3-jarig kind met spasticiteit. De extra tijd bovenop wat als gebruikelijk wordt beschouwd, kan worden aangemerkt als bovengebruikelijke hulp.
Situatie ouder/verzorger
Geobjectiveerde beperkingen
Er zijn beperkingen op het gebied van noodzakelijke ondersteuning. Bijvoorbeeld wanneer een ouder langdurig in een rolstoel zit en daardoor niet in staat is een kind te verplaatsen.
Gebrek aan kennis en/of vaardigheden
Ouders/verzorgers missen de noodzakelijke kennis of vaardigheden om ondersteuning te bieden. In dergelijke gevallen kan een tijdelijke individuele voorziening worden ingezet zodat de ouder/verzorger de kans krijgt om de benodigde vaardigheden of kennis aan te leren.
Fysieke afwezigheid
De ouder/verzorger is fysiek afwezig vanwege verplichtingen zoals werk in het buitenland. Voorbeelden hiervan zijn internationaal vrachtwagenchauffeurs of mariniers. Bij het beoordelen van de fysieke afwezigheid moet rekening worden gehouden met de aard van de benodigde ondersteuning en de duur van de afwezigheid. Als de afwezigheid langer dan zeven aaneengesloten etmalen duurt en de ondersteuning niet kan worden uitgesteld, is er sprake van bovengebruikelijke hulp.
Overbelasting:
Verband tussen overbelasting en hulp aan jeugdige:
Er moet een duidelijk verband zijn tussen de overbelasting en de hulp die de ouder/verzorger biedt. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de ouder/verzorger heeft om de (dreigende) overbelasting op te heffen.
Beperking van maatschappelijke activiteiten:
Van de ouder/verzorger mag verwacht worden dat hij/zij bereid is om maatschappelijke activiteiten te beperken om de (dreigende) overbelasting op te heffen.
Overbelasting door werk:
Als de overbelasting wordt veroorzaakt door een dienstverband met te veel werkuren of door spanningen op het werk, moet de oplossing eerst worden gezocht in het verminderen van werkuren of het aanpakken van de werkgerelateerde spanningen. In het besluit zal altijd worden aangegeven dat, wanneer de overbelasting kan worden teruggedrongen door herinrichting van het huiselijk leven en/of werk, dit van de ouder/verzorger wordt verwacht.
Fysieke en psychische capaciteit voor gebruikelijke hulp:
Onderzocht moet worden in hoeverre de ouder/verzorger naast eventueel werk fysiek en psychisch in staat is om gebruikelijke hulp te verlenen. Als dit niet het geval is, kan een tijdelijke voorziening worden verstrekt om de ouder/verzorger de gelegenheid te geven de taakverdeling aan te passen aan de situatie. Wanneer de geldigheidsduur van het besluit is verstreken en er een nieuwe aanvraag wordt ingediend, zal worden gekeken welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen.
Draagkracht en draaglast:
Naast de aard en ernst van de overbelasting wordt onderzocht of deze is ontstaan door een vermindering van de draagkracht van de ouder/verzorger of door een verhoging van de draaglast als gevolg van de ernst van de ziekte, beperking of gedrag van het kind.
Samenhangende beoordeling van bovenstaande factoren
Bij de beoordeling van de hulpvraag is het van cruciaal belang dat bovenstaande criteria in samenhang worden genomen. Hierbij moet rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden van de jeugdige en het gezin. Een hulphandeling die in omvang en aard voor een kind gebruikelijk lijkt, kan in een individuele situatie veel vaker voorkomen of meer tijd kosten. Hierdoor kan de hulp niet als geheel gebruikelijk worden beschouwd.
Een voorbeeld van het gevolg van een samenhangende beoordeling voor gebruikelijke hulp: het geven van medicatie is gebruikelijke hulp als het in het dagelijkse patroon past, bijvoorbeeld elke dag bij het ontbijt. Als medicatie echter gedurende de gehele dag of meerdere malen 's nachts moet worden toegediend, past dit niet meer in het dagelijkse patroon. In een dergelijke situatie moet worden beoordeeld of ouders/verzorgers zodanig worden belast dat het geen gebruikelijke hulp meer is en is er sprake van bovengebruikelijke hulp.
Het college moet in elke individuele situatie een zorgvuldige afweging maken, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden van de jeugdige en/of zijn ouder/verzorger. Er moet duidelijk worden gemotiveerd waarom de hulp onder gebruikelijke hulp valt. Het is onvoldoende om alleen naar beleid of richtlijnen te verwijzen; de specifieke situatie van de jeugdige en het gezin moet altijd in ogenschouw worden genomen.
Er is sprake van bovengebruikelijke hulp wanneer de noodzakelijke verzorging en hulpverlening voor een kind in langdurige situaties meer omvat dan wat een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft. Dit betreft de aard, frequentie en benodigde tijd voor de handelingen. Het college kan in beleidsregels niet exact vaststellen hoeveel hulp gebruikelijk is; dit moet beoordeeld worden op basis van de individuele omstandigheden van elk kind.
Aanvullende verzekeringen en voorliggende voorzieningen
Ouders en jeugdigen moeten in eerste instantie gebruik maken van aanvullende verzekeringen voor noodzakelijke jeugdhulp. Indien deze verzekeringen niet voldoende dekking bieden, is het college verplicht om aanvullende ondersteuning te bieden. Ook hebben algemene, vrij toegankelijke voorzieningen voorrang boven individuele voorzieningen. Indien een algemene voorziening voldoende ondersteuning biedt, hoeft het college geen individuele voorziening te treffen. Dit geldt ook voor andere voorliggende voorzieningen zoals die vanuit de Wmo of Wlz. Als slechts een deel van de ondersteuningsbehoefte door eigen netwerk of voorliggende voorzieningen wordt opgelost, blijft het college verantwoordelijk voor het restant.
Nadere regels onderzoek draagkracht en draaglast
Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het onderzoek naar de balans tussen draagkracht en draaglast en de uitwerking daarvan. Dit onderzoek omvat het inventariseren van alle beschikbare middelen en mogelijkheden binnen het gezin en hun sociale omgeving om te bepalen in hoeverre aanvullende jeugdhulp noodzakelijk is.
Door een gedetailleerde en zorgvuldige beoordeling van de draagkracht en draaglast, streeft het college naar een efficiënte en rechtvaardige toewijzing van jeugdhulpvoorzieningen, waarbij de primaire verantwoordelijkheid voor het welzijn van de jeugdige bij de ouders ligt.
Hoofdstuk 4.
Artikel 10:
Onderzoek naar draagkracht en draaglast
Onderdeel van Verordening jeugdhulp gemeente Maashorst 2025