Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.2

Algemeen toetsings- en afwegingskader

Onderdeel van Nadere Regels Jeugdhulp 2026 gemeente Achtkarspelen

Om te bepalen of ondersteuning in de vorm van een individuele voorziening voor de jeugdige, ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s) toegankelijk en passend zijn, worden de onderstaande aspecten in de weergegeven volgorde getoetst en/of gewogen: Verantwoordelijke gemeente: Om te bepalen welke gemeente verantwoordelijk is voor het bieden van de ondersteuning wordt nagegaan welke gemeente als woonplaats geldt volgens het meest recente stappenplan woonplaatsbeginsel van de VNG. Een individuele voorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige, ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s) waarvan volgens het woonplaatsbeginsel de gemeente Achtkarspelen verantwoordelijk is. Aard van de problematiek: Er is sprake van opgroei- en/of opvoedingsproblematiek die een bedreiging kan vormen voor een veilige (cognitieve, sociale, emotionele en/of lichamelijke) ontwikkeling van de jeugdige. Bij het bepalen van de mate van de opgroei- en/of opvoedingsproblematiek kan gebruik worden gemaakt van het ordeningsprincipe Kind in Fryslân. Het ordeningsprincipe Kind in Fryslân is een instrument dat vanuit dialoog tussen jeugdige, ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s) en betrokken hulpverleners bepaalt welke zwaarte van ondersteuning nodig is. Met behulp van het instrument wordt een inschatting gemaakt van de zwaarte van de benodigde ondersteuning. Er worden vier vormen onderscheiden: opvoedingsvragen, opvoedingsspanning, opvoedingsnood en opvoedingscrisis. Indien er sprake is van opvoedingsvragen of opvoedingsspanning wordt indien nodig lichte ondersteuning geboden (zoals omschreven in 6.1). Indien er sprake is van opvoedingsnood of opvoedingscrisis wordt indien nodig ondersteuning geboden door middel van de individuele voorziening Specialistische Jeugdhulp of Hoogspecialistische Jeugdhulp. Aanvaardbaar niveau van het gewenst resultaat (goed genoeg): Om het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling van de jeugdige te kunnen bepalen wordt het volgende gewogen: Welk niveau past bij de mogelijkheden van de jeugdige, ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s). Welk niveau staat in redelijke verhouding met de situatie met de jeugdige en/of ouders voordat er sprake was van een mogelijke bedreiging van een veilige ontwikkeling van de jeugdige. Welk niveau staat in redelijke verhouding tot dat van personen in vergelijkbare omstandigheden en dezelfde leeftijdscategorie die zich veilig ontwikkelen. Welk niveau is minimaal noodzakelijk om een veilige ontwikkeling te kunnen borgen. Binnen welke aanvaardbare termijn het gewenste resultaat behaald dient te zijn. Eigen kracht: De mate waarin de jeugdige, ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s) eventueel samen met het sociaal netwerk van de jeugdige en/of ouder(s) op zelf of samen het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling kan bereiken of behouden. Gebruikelijke hulp: De mate waarin de jeugdige en/of ouder(s) met behulp van gebruikelijke hulp het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling kan bereiken of behouden. Bij gebruikelijke hulp worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Ouders zijn primair zelf verantwoordelijk voor de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen. De zorgplicht van ouders strekt zich uit over het bieden van een woonomgeving waarin hun fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd, een passend pedagogisch klimaat en zorg in de zin van verzorging, begeleiding en stimulans die nodig is bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid, ongeacht de leeftijd van het kind. Deze handelingen worden als gebruikelijk aangemerkt. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Het hoeft niet te betekenen dat de ouder(s) deze hulp zelf uitvoeren. De gebruikelijke hulp kan door de ouder(s) ook aan derden uitbesteed worden of met eigen financiële middelen ingekocht worden. Voor gebruikelijke hulp wordt geen (aanvullende) ondersteuning geboden vanuit de Jeugdwet. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder, al dan niet naast fulltime (vrijwilligers)werk of opleiding, de gebruikelijke hulp over. De zorgplicht vervalt niet bij echtscheiding of beëindiging van de relatie. Er wordt wel rekening gehouden met de eventueel door de rechtbank vastgelegde afspraken. Onder gebruikelijke hulp valt in ieder geval: De aanwezigheid van ouders. Het bieden van ouderlijk toezicht. Het bieden van een beschermende woonomgeving. Het bieden van structuur. Het bieden van begeleiding en stimulans bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Het begeleiden naar huisarts, ziekenhuis of therapie. Het maatschappelijk verkeer, als bezoek aan familie, vrienden, school, sport etc. De zorg bij kortdurende ziekte. Bij de beoordeling of en in welke mate er sprake is van gebruikelijke hulp worden in ieder geval de volgende aspecten gewogen: De aard van de benodigde ondersteuning. Gebruikelijke hulp bij jeugdigen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle jeugdigen voorkomen. Het gaat dan om handelingen die een gebruikelijke hulphandeling vervangen. Voorbeelden kunnen zijn: het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen; bij een jeugdige met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie of het geven van sondevoeding in plaats van eten. De mate van planbaarheid en uitstelbaarheid van de benodigde ondersteuning en de momenten van de dag waarop dit geboden wordt. Het kan daarbij gaan om handelingen die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden. De frequentie en omvang van de benodigde ondersteuning. De duur van de benodigde ondersteuning. Is er sprake van een kortdurende situatie met uitzicht op herstel of een langdurende (chronische) situatie waarin extra ondersteuning nodig is. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van de jeugdige. Er wordt daarbij uitgegaan van een bandbreedte in de normale ontwikkeling. Er wordt rekening gehouden met de verschillen die in de ontwikkeling bestaan bij kinderen in dezelfde leeftijdscategorie. Gebruikelijke hulp is niet of in mindere mate van toepassing als uit objectief onderzoek blijkt dat de ouder(s) niet in staat is om (een aantal) taken over te nemen vanwege: (langdurige) Fysieke afwezigheid. De beperking of beperkte leerbaarheid. (dreigende) Overbelasting, waarbij het evenwicht tussen draagkracht en draaglast onder spanning staat. Bovengebruikelijke hulp: De mate waarin door de ouder(s) bovengebruikelijke hulp geboden kan worden, wat in beginsel van hen mag worden verwacht. Het college maakt een individuele afweging of de ouder(s) in staat is/zijn om de ondersteuning te bieden, naast de ZIN die hiervoor beschikbaar is. Wanneer dit niet leidt tot overbelasting of financiële problemen is geen aanvullende ondersteuning vanuit de Jeugdwet noodzakelijk. Voorbeelden van gebruikelijke hulp zijn dagelijkse verzorging zoals het klaarmaken van maaltijden of begeleiding naar school. Bovengebruikelijke hulp omvat gespecialiseerde ondersteuning zoals intensieve begeleiding bij gedragsproblemen. Mantelzorg: De mate waarin personen uit het sociaal netwerk van de jeugdige, ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s) bereid en in staat zijn om mantelzorg te bieden en de mate waarin de mantelzorgers hierbij ondersteuning nodig hebben om (dreigende) overbelasting tegen te gaan. Dit wordt bepaald door de totale belasting (gebruikelijke hulp, mantelzorg, werk en persoonlijke omstandigheden) van de mantelzorgers. Mantelzorg is een vorm van ondersteuning die niet afdwingbaar is door de overheid. Er mag niet een bijdrage van mantelzorgers worden verlangd die ten koste gaat van (het zoeken naar) werk of inkomen of welzijn. Vrijwilligers(werk): De mate waarin de jeugdige, ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s) met de ondersteuning van vrijwilligers of het zelf verrichten van maatschappelijk nuttige of zinvolle activiteiten het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling kunnen bereiken of behouden. Voorliggende voorzieningen: De mogelijkheden voor de jeugdige, ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s) om gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen, en en/of voorzieningen vanuit andere wetgeving zoals: Passend Onderwijs, kinderopvang, ziektekostenverzekering, de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg. Algemeen gebruikelijke voorziening: De mate waarin het voor de jeugdige, ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s) als persoon een algemeen gebruikelijke voorziening betreft. Een algemeen gebruikelijke voorziening wordt in principe door de jeugdige, ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s) zelf bekostigd. Bij het bepalen of een noodzakelijke voorziening voor de jeugdige, ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s) een algemeen gebruikelijke voorziening betreft, worden de volgende aspecten gewogen: Is de voorziening niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking. Is de voorziening voor de jeugdige, ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s) daadwerkelijk beschikbaar. Levert de voorziening een passende bijdrage aan het gewenste resultaat. Kan de voorziening financieel gedragen worden met een inkomen op minimumniveau. Eerdere verstrekking individuele voorziening: De mate waarin de aspecten uit lid 2 tot en met lid 10 gewijzigd zijn ten opzichte van de eerder verstrekte individuele voorziening. Deskundig oordeel en advies: Er kan een specifiek deskundig oordeel of advies ingewonnen worden om te kunnen vaststellen: Wat de aard en oorzaak van de opgroei- en/of opvoedproblematiek is. Wat de (on)mogelijkheden van de jeugdige, ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s) is in relatie tot de aard opgroei- en/of opvoedproblematiek. Wat de noodzakelijke en/of passende ondersteuning is in relatie tot de aard van de opgroei- en/of opvoedproblematiek. Vorm van ondersteuning: Om te bepalen welke vorm van ondersteuning voor de jeugdige, ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s) toegankelijk en passend is, worden naast de toetsing en weging van lid 1 tot en met 12 tevens de volgende uitgangspunten gehanteerd: Ondersteuning vanuit het eigen sociaal netwerk of met inzet van vrijwilligers waar mogelijk, professionele ondersteuning alleen indien noodzakelijk. Een lichte vorm van ondersteuning waar mogelijk, een zwaardere vorm van ondersteuning alleen indien noodzakelijk. Kortdurende ondersteuning waar mogelijk, langdurige ondersteuning alleen indien noodzakelijk. Ambulante ondersteuning ten behoeve van het thuis (kunnen blijven) wonen waar mogelijk, ondersteuning met verblijf alleen indien noodzakelijk. Een verblijf in een gezinssituatie (pleegzorg of gezinshuis) waar mogelijk, verblijf in een instelling alleen indien noodzakelijk. Ondersteuning dichtbij het eigen sociaal netwerk waar mogelijk, ondersteuning op afstand van het sociaal netwerk alleen indien noodzakelijk. Ondersteuning middels groepsaanbod waar mogelijk, individuele ondersteuning alleen indien noodzakelijk. Goedkoopst adequate voorziening: De mate waarin de voorziening voor de jeugdige, ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s) duurzaam bijdraagt aan het behalen van het resultaat. Zijn meer mogelijkheden adequaat, dan wordt gekozen voor de, naar objectieve maatstaven, goedkoopste voorziening (vanuit de Jeugdwet of andere wetten binnen het Sociaal Domein). Voorzieningen die (op termijn) kostenverhogend werken, zonder dat zij de voorziening passender maken, komen niet voor toekenning in aanmerking. Individuele voorziening: Om te bepalen of een jeugdige, ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening worden lid 1 t/m 14 van dit artikel gehanteerd. Een individuele voorziening (ZIN of PGB) is pas aan de orde als na onderzoek blijkt dat de jeugdige, ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s) niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met bovengebruikelijke hulp, met mantelzorg, met een andere voorziening, met vrijwilligers(werk) en/of met een algemene voorziening voldoende in staat is het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling van de jeugdige te bereiken of te behouden. Indien een jeugdige, ouder(s) en/of wettelijke vertegenwoordiger(s) in aanmerking komt voor een individuele voorziening wordt, mede op basis van het gestelde in hoofdstuk 6 (Zorg in natura) en hoofdstuk 7 (Persoonsgebonden budget) een keuze gemaakt voor ZIN of PGB. Indien mantelzorgers of informele zorgverleners betrokken worden bij complexe zorg, dient een bewijs van relevante competenties of ervaring te worden overlegd.

Rechtspraak bij dit artikel