**1..** Van schending van de arbeidsverplichtingen is naar de mening van het college sprake als de belanghebbende:
algemeen geaccepteerde arbeid weigert, waardoor hij langduriger aangewezen blijft op een uitkering, of een hogere aanvulling vanuit de bijstand nodig heeft;
geen gebruik maakt van een hem aangeboden voorziening, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 van deze beleidsregels;
niet naar vermogen solliciteert, of zoveel meer of minder als op individuele basis met de klant is afgesproken. Deze afspraken leggen we vast in de beschikking of een plan van aanpak;
de inschakeling in het arbeidsproces belemmert door zijn houding en/of gedrag.
**2..** Wanneer de belanghebbende de arbeidsverplichtingen schendt, overweegt het college een verlaging van de uitkering op grond paragraaf 3.2 van de Verzamelverordening.
**3..** Het college ziet af van het opleggen van een verlaging van de uitkering wegens schending van de arbeidsverplichtingen als:
de belanghebbende geheel is ontheven van de arbeidsverplichtingen;
de belanghebbende is ontheven van die arbeidsverplichting waarop de verlaging van de uitkering betrekking heeft;
de belanghebbende in de periode gelegen tussen de gedraging en het moment van opleggen van de verlaging van de uitkering alsnog werk heeft gevonden, waardoor hij volledig uitstroomt uit de uitkering;
de uitkering van de belanghebbende voor het opleggen van de verlaging van de uitkering is beëindigd.
Hoofdstuk 4: › Paragraaf 4.2.1:
Artikel 4:4:
Arbeidsverplichtingen
Onderdeel van Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz