1. Bij de inrichting van de ondergrond moeten de belangen van diverse belanghebbenden en disciplines gewaarborgd worden. Op basis van de uitgangspunten zoals bepaald in artikel 7.2.1 tot en met 7.2.3 wordt door de gemeente en de netbeheerders in overleg een tracé en een dwarsprofiel opgesteld. Deze beknopte uitgangspunten zijn gebaseerd op de NEN 7171-1 en de NPR-7171. Als de uitgangspunten niet voldoen, dan wordt de volledige procedure van de NEN 7171-1 en NPR-7171 gevolgd.
2. Bij uitbreidingsplannen moet in de planfase door gemeente en netbeheerders bepaald worden welke netten aangelegd worden of in de toekomst voorzien worden.
3. Bij bestaande wijken moet bij werkzaamheden aan de boven of ondergrond bepaald worden of dit een natuurlijk moment is om de ondergrondse ordening aan te passen. Door de gemeente en netbeheerders moet afgewogen worden of alle netten die in de ondergrond liggen nog in gebruik zijn, als dit niet het geval is dan moet afgewogen worden of deze nog hergebruikt gaan worden. Vrijgekomen ruimte moet of beschikbaar blijven of toegewezen worden aan nieuw aan te leggen netten.
4. Er is overleg nodig tussen de gemeente en netbeheerders om de ondergrondse ordening af te stemmen.
5. Als een buisleiding met gevaarlijke stoffen (zie par. 3.4.3. Besluit activiteiten leefomgeving) wordt aangelegd moet per leiding bepaald worden wat de specifieke eisen zijn en hiermee moet rekening gehouden worden bij de tracébepaling.
7.2.1. Uitgangspunten tracébepaling
1. Bij de tracébepaling wordt voor alle disciplines ruimte gereserveerd.
2. Bij de tracébepaling moet tevens rekening gehouden worden met de uitvoerbaarheid van de eisen die gesteld worden in dit Handboek.
3. Kabels of leidingen mogen niet binnen het ontgravingsprofiel van andere kabels of leidingen aangelegd worden.
4. Als er onvoldoende ruimte is voor de aan te leggen kabels of leidingen, dan is overleg met alle netbeheerders, de grondeigenaar en de gemeente nodig. Mogelijke maatregelen zijn:
reserveren van meer ruimte voor tracé;
bundelen/stapelen van kabels voor telecommunicatie (inclusief CAI);
het boven elkaar leggen van elektriciteitskabels;
retour en afvoerleiding van warmtenetten dichter bij elkaar leggen;
de onderlinge afstand van kabels of leidingen verkleinen;
enkelzijdige aanleg van kabels of leidingen, waardoor beide kanten van de weg voor verschillende kabels of leidingen benut kan worden;
het leggen van kabels of leidingen in kabelgoten of leidingtunnels;
volgorde van kabels of leidingen aanpassen.
7.2.2. Uitgangspunten horizontale ligging
1. Distributieleidingen liggen zoveel mogelijk in het trottoir.
2. Rioleringen, warmtenetten en transportleidingen worden in het overige deel van de openbare weg gesitueerd.
3. De volgorde van kabels en leidingen vanaf de perceelsgrens:
water;
gas;
elektra;
telecommunicatie.
4. De onderlinge afstand tussen kabels of leidingen is minimaal 0,25 m.
5. De afstand vanaf de perceelsgrens tot aan de eerste kabel of leiding is minimaal 0,30 m.
6. In bermen langs wegen moet de afstand van de ligging van de kabels of leidingen tot aan de verharding ten minste gelijk zijn aan de diepteligging ervan.
7. Distributie- of mutatiepunten mogen niet aangebracht worden in rijbanen, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de in- en uitritten van percelen, binnen een afstand van 5,00 m vanaf bomen en (tenzij het vanwege netwerk technische redenen niet anders kan) in kabel- en leidingtracés. De distributie- of mutatiepunten dienen bij voorkeur geplaatst te worden in voetpaden, bermen of groenvoorzieningen.
8. Bij de bepaling van het tracé moet rekening gehouden worden met bestaande bovengrondse voorzieningen, bomen of andere groenvoorzieningen (zie de bomenposter, bijlage 10.1). Het aanbrengen van nieuwe mantelbuizen onder kunstwerken is niet toegestaan.
7.2.3. Uitgangspunten verticale ligging
1. Kabels en leidingen hebben vanaf bovenkant leiding tot bovenkant maaiveld de volgende afstand bij:
water: 1,00 m;
gas: lage druk 0,80 m – hoge druk 0,90 m;
elektra: LS 0,60 m – MS 0,80 m;
telecommunicatie: 0,60 m.
2. Als kabels en leidingen elkaar kruisen:
distributiekabels of -leidingen liggen ondieper dan transportleidingen;
vrijvervalleidingen hebben voorrang op drukleidingen;
bij kruisingen van kabels of leidingen bedraagt de onderlinge tussenruimte (verticale afstand) tenminste 0,20 m.
3. Er moet een strook tussen 0,60 m -mv en 0,90 m -mv vrijgehouden worden in verband met kruisende vrijverval rioolaansluitingen.
Hoofdstuk › Paragraaf 7.
Artikel 7.2
Ondergrondse ordening bij de aanleg van kabels of leidingen
Onderdeel van Handboek kabels en leidingen Midden-Drenthe