1. Bij het werken buiten de bebouwde kom in een sleufbedekking van (berm)gras moet, indien nodig, het aanwezige gewas voorafgaand aan de werkzaamheden door de grondroerder gemaaid worden en het maaisel moet worden afgevoerd. Op verzoek kan dit door de gemeente worden verzorgd. De berm moet weer ingezaaid worden met graszaad, Bermenmengsel B3.
2. Bij opname van een sleufbedekking van gazongras binnen de bebouwde kom moeten ter breedte van de sleuf regelmatige zoden worden gestoken. De graszoden moeten “groen op groen” worden opgetast.
3. Als het afgesproken is dat de gemeente zelf zorgdraagt voor het herstel van de sleufbedekking (artikel 5.2.2, eerste lid) moeten de vrijkomende zoden worden afgevoerd door de grondroerder.
4. Na aanvullen van de sleuf op de vereiste hoogte moeten de graszoden binnen 48 uur weer nauwkeurig worden teruggelegd, aangerold en met teelaarde gedresd. Ten slotte moeten de zoden met schoon water zolang als nodig is bewaterd worden. De grondroerder moet tekortkomende zoden zelf aanleveren.
5. Bermen die aangemerkt zijn als Bloemenbermen, moeten vlak, verdicht en vrij van stenenworden opgeleverd. Inzaaien wordt verzorgd door de gemeente. De vierkante meters moeten met een minimale breedte van 1,5 meter worden opgevoerd op de straatwerkbon onder de materialenpost Bloemenbermen. Er is een kaart op aanvraag beschikbaar die aangeeft welke bermen Bloemenbermen zijn.
6. Sleuven zonder bedekking moeten, nadat de kabels of leidingen zijn gelegd, tot op de juiste hoogte aangevuld, verdicht en met het oppervlak vrij van stenen en dergelijke vlak afgewerkt worden.
Hoofdstuk › Paragraaf 8.
Artikel 8.4
Opbreken en herstellen bermen, gazons en sleuven zonder bedekking
Onderdeel van Handboek kabels en leidingen Midden-Drenthe