Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 9.

Artikel 9.2

Werken nabij bomen (tevens rooi en herplant)

Onderdeel van Handboek kabels en leidingen Midden-Drenthe

1. Voorafgaand aan de engineering kan door de grondroerder bij de gemeente de (digitale) bomenkaart opgevraagd worden. 2. Bij het passeren van bomen moeten door de grondroerder voorzorgsmaatregelen worden getroffen die schade aan de betreffende boom voorkomt. De maatregelen en aanwijzingen zijn (onder andere) aangegeven op de Bomen poster (bijlage 10.1) en in de Verordening Leefomgeving Midden-Drenthe (te vinden op Overheid.nl). Wanneer er toch een boom wordt beschadigd moet dit direct gemeld worden bij de toezichthouder. 3. Als de afstand van te leggen kabels of leidingen tot de bomen minder is dan bepaald op de Bomenposter (bijlage 10.1), dan moeten er in ieder geval beschermende maatregelen toegepast worden of er moeten (gestuurde) boringen worden gemaakt. 4. In het wortelgestel van bomen mag slechts bij hoge uitzondering worden gegraven en in dat geval alleen handmatig, dit is echter alleen toegestaan met goedkeuring van de toezichthouder. Wortels dikker dan 0,025 m in diameter moeten altijd haaks op de groeirichting worden doorgezaagd, doorgeknipt of afgestoken (nooit frezen, hakken, lostrekken of doorscheuren): dit voorkomt onnodige, extra omvangrijke wortelschade door ‘rafelen’ en ‘kapot trekken’. Wortels dikker dan 0,05 m in diameter mogen niet (of bij uitzondering) alleen onder toezicht en met expliciete toestemming worden doorgezaagd of verwijderd Blootliggende (levende) wortels moeten direct worden beschermd tegen uitdrogen, vorst en andere beschadigingen. Maar op zodanige wijze dat broei en bodemstructuurproblemen worden voorkomen. 5. Als ten gevolge van de werkzaamheden een boom zoveel schade oploopt dat deze gerooid moet worden moet de grondroerder dit direct melden bij de toezichthouder. Er moet dan (als dit vereist is) alsnog een omgevingsvergunning kap aangevraagd worden. Het planten van nieuwe bomen vindt plaats conform het bepaalde in de Schaderegeling ingravingen kabels en leidingen. 6. Als de grondroerder toestemming krijgt van de gemeente om een boom te rooien moet de grondroerder tevens de stobben verwijderen en afvoeren en het ontstane gat laagsgewijs met grond aanvullen en verdichten. Ten slotte moet er een laag teelaarde worden aangebracht. De grond moet op een zodanige wijze worden afgewerkt dat er na inklinking sprake is van een vlakke overgang naar de ongeroerde grond. Reservering voor inklinking mag max. 0,10 m bedragen. In overleg met de toezichthouder moet het eventuele inzaaien geschieden conform artikel 8.4, eerste lid. 7. Als het onvermijdelijk is dat een kabel of leiding door een groenvoorziening (behoudens wegbermen) wordt gelegd of er onderdoor wordt geperst moet de gronddekking van die kabel of leiding (of mantelbuis) minimaal 1,00 m bedragen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel