Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.3

Artikel 3.3.2

Algemene uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp

Onderdeel van Protocol zelfredzaamheid en participatie gemeente Beekdaelen 2019

Deze algemene uitzonderingen gelden voor alle vormen van ondersteuning bij zelfredzaamheid en participatie. Later in dit hoofdstuk worden nog aanvullende uitzonderingen per ondersteuningsvorm beschreven. Medisch geobjectiveerde beperkingen en/ of kennis en vaardigheden missen Als uit objectief onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft en/ of kennis en vaardigheden mist, waardoor redelijkerwijs de taken niet of deels overgenomen kunnen worden en deze vaardigheden niet aangeleerd kan worden, is gebruikelijke hulp niet of deels van toepassing. (Dreigende) overbelasting De zorg voor een zieke partner of huisgenoot, kan zo zwaar worden dat van (dreigende) overbelasting sprake is. In de meeste situaties is het afdoende om een gedeelte van de activiteiten die uitgevoerd moeten worden, middels een maatwerkvoorziening te compenseren. Maar soms blijkt deze inzet niet voldoende te zijn. In dergelijke situaties dient de ondersteuning volledig geboden te worden, middels het inzetten van een maatwerkvoorziening. Op het moment dat de partner of huisgenoot meerdere activiteiten van verschillende ondersteuningsvormen overneemt, is het bij (dreigende) overbelasting mogelijk om een ondersteuningsvorm in de vorm van een maatwerkvoorziening te compenseren. Hierbij wordt in beginsel uitgegaan van de compensatie van de goedkoopst compenserende ondersteuningsvorm. (Dreigende) overbelasting bij korte levensverwachting In terminale situaties is overleg met de huisgenoten over wat draagbaar is zeer belangrijk. In deze situaties mag er soepeler worden omgegaan met het principe “gebruikelijke hulp”. (Dreigende) overbelasting na overlijden ouder Indien een cliënt aangeeft overbelast te zijn door de combinatie van werk en de verzorging van de inwonende kinderen, vanwege het plotseling overlijden van de andere (inwonende) ouder, kan kortdurend huishoudelijke taken worden overgenomen. Te denken valt aan een periode van 3-6 maanden, zodat de leefeenheid de gelegenheid gegeven wordt om de taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Voorkomen van crisis en ontwrichting bij verzorging en opvang van gezonde kinderen Bij noodzakelijke opvang van gezonde kinderen wordt eerst altijd gekeken naar voorliggende voorzieningen en/of mantelzorg, zoals kinderopvang of crèche (tot 5 maximaal dagen per week). Indien deze voorzieningen niet beschikbaar, niet toepasbaar of uitgeput zijn, wordt opvang via een Sociale Medische Indicatie (SMI) onderzocht. Alleen wanneer ook dit ontoereikend is, kan tijdelijk (3–6 maanden) ondersteuning bij oppas en opvang worden geboden, zodat ouders de gelegenheid hebben een structurele oplossing te realiseren. Ouderen met een hoge leeftijd Met betrekking tot ouderen wordt enige coulance betracht. Als binnen een leefeenheid degene die de huishouding voert uitvalt en de andere partner weliswaar fysiek gezond is, maar ouder dan 80 jaar en niet meer leerbaar, kan toch huishoudelijke hulp geïndiceerd worden. Fysieke afwezigheid van partner of huisgenoot Bij het beoordelen van gebruikelijke hulp wordt geen rekening gehouden met drukke werkzaamheden, lange werkweken of veel reistijd. In beginsel wordt alleen rekening gehouden met personen die vanwege hun beroepsmatige werkzaamheden of om sociaal/ medische redenen langdurig van huis zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval bij internationaal vrachtwagenchauffeurs, medewerkers in de offshore, mariniers, mensen die om medische redenen of vanwege familieomstandigheden langdurig in het buitenland verblijven. Ten aanzien van de beroepsmatige werkzaamheden gaat het namelijk te ver deze mensen te dwingen een andere baan of functie te zoeken. De afwezigheid dient echter betrekking te hebben op een aaneengesloten periode van tenminste 7 etmalen. Andere typen leefsituaties Bij een aantal typen leefsituaties wordt daarnaast anders omgegaan met het begrip „duurzaam gezamenlijk huishouden”, waardoor er mogelijk geen of beperkt sprake zal zijn van „gebruikelijke hulp”. Hieronder staan deze situaties verder uitgelegd: Kamerverhuur Als een cliënt een kamer verhuurt aan een derde, wordt de huurder niet tot de leefeenheid gerekend. Dit soort type bewoning moet door middel van een kamercontract aangetoond kunnen worden. Tevens mag er aantoonbaar geen sprake zijn van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Een cliënt woont zelfstandig, met meerdere mensen in één huis zonder hiermee een duurzaam gezamenlijk huishouden te vormen Met andere woorden; de cliënt vormt geen duurzaam gezamenlijk huishouden met de huisgenoten. In dergelijke situaties heeft men in ieder geval wel een eigen woon/slaapkamer en de overige ruimten worden in meer of mindere mate gemeenschappelijk gebruikt. Leef- en woongemeenschappen Een cliënt woont zelfstandig met meerdere mensen in één gebouw én vormt hiermee wel een leefeenheid. Met andere woorden; de cliënt vormt een duurzaam huishouden met de huisgenoten. Vrijwel alle leefgemeenschappen kennen een of meer gezamenlijke bindende factoren, meestal met een religieuze of spirituele inhoud. Een voorbeeld hier van zijn kloostergemeenschappen waarbij er sprake is van een leefeenheid, maar de taakverdeling zich niet leent voor overname van de verschillende taken.

Rechtspraak bij dit artikel