Het college besluit bij schuldenproblematiek tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde uitkering indien:
redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en;
redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen en;
de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde inkomensvoorziening ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.
Het college kan een besluit, bedoeld in het eerste lid ook nemen indien sprake is van een vordering op grond van artikel 58 eerste lid van de wet, artikel 25 eerste lid van de IOAW/IOAZ en een bestuurlijke boete op grond van artikel 18a van de wet, 20a van de IOAW en 20a van de IOAZ, met inachtneming van het bepaalde in artikel 60c en artikel 18a dertiende lid van de wet, artikel 20a twaalfde lid en artikel 29a van de IOAW en IOAZ.
Het besluit tot kwijtschelding als bedoeld in het eerste lid treedt niet eerder in werking dan dat een schuldregeling tot stand is gekomen.
Voordat het besluit tot kwijtschelding als bedoeld in het eerste lid in werking treedt, kan het college besluiten om tijdelijk van invordering af te zien.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 3
Artikel 11