Het aflossingsbedrag zoals medegedeeld in het terugvorderingsbesluit geldt als een opgelegde betalingsverplichting.
Het college kan de betalingsverplichting ambtshalve toepassen naar aanleiding van een periodiek onderzoek en, op aanvraag, bij gewijzigde omstandigheden ten aanzien van de draagkracht van de belanghebbende.
Zolang belanghebbende een betalingsverplichting aan het college heeft, kan hij een verzoek indienen, zo mogelijk onder bijvoeging van afschriften van bewijsstukken, tot gespreide betaling, tot verlaging van de maandelijks vastgestelde betalingsverplichting of tot tijdelijk uitstel van de opgelegde betalingsverplichting, indien hij van mening is dat hij niet of niet meer in staat is deze schuld ineens of middels de eerder vastgestelde betalingsverplichting te voldoen.
Het college neemt binnen vier weken na ontvangst van het verzoek een besluit hierover. Indien ingestemd wordt met termijnbetaling, wordt in het besluit ieder geval vermeld:
de hoogte van de maandelijkse betalingsverplichting;
de ingangsdatum van de aflossingsverplichting;
de rechtsgevolgen die intreden bij gebreke van (tijdige) nakoming van een betalingsverplichting.
de hoogte van het restant van de schuld en de volgorde waarin eventuele andere schulden worden afgelost.
a. Een ingediend bezwaar tegen het terugvorderingsbedrag of tegen de vastgestelde betalingsverplichting wordt door het college ambtshalve aangemerkt als een verzoek om toepassing van schorsende werking en wordt toegekend tot één week na de dag van verzending van de beslissing op bezwaar.
b. Een ingediend beroep of hoger beroep tegen de in 5a bedoelde beslissing op bezwaar kan door het college ambtshalve worden aangemerkt als en verzoek om toepassing van schorsende werking en wordt toegekend tot één week na de dag van de beslissing van de rechtbank in beroep of de beslissing van de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2
Artikel 4