Indien de belanghebbende meerdere vorderingen aan het college dient te voldoen, dan rekent het college de betaling in de eerste plaats toe aan de vordering wegens een opgelegde boete en in de tweede plaats aan de vordering die het gevolg is van het schenden van de inlichtingenplicht. In de derde plaats worden betalingen toegerekend naar overige vorderingen en leningen, waarbij de oudste schuld als eerste wordt afgelost. Daarbij is de datum van het besluit tot terugvordering respectievelijk tot toekenning van de lening bepalend.
Van het eerste lid wordt afgeweken wanneer belanghebbende aangeeft dat zijn betaling strekt tot de aflossing van een door hem aangegeven schuld of wanneer dit duidelijk blijkt uit de hoogte van het betaalde bedrag.
Zolang een vordering wegens ten onrechte of te veel ontvangen uitkering nog niet is verhoogd met de af te dragen belastingen en premies rekent het college, in afwijking van het eerste lid, de betaling in de eerste plaats toe aan de netto vordering.
Indien een vordering is verhoogd met rente en/of kosten dan strekt een betaling in de eerste plaats tot mindering van de kosten. Vervolgens tot mindering van verschenen rente en tenslotte tot mindering van de hoofdsom.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2
Artikel 9