Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.10

Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp Leudal 2026

1.. Voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen worden geacht aanwezig te zijn indien de hulpvraag behoort tot de gebruikelijke opvoedingsopgaven en/of normale ontwikkelingsuitdagingen, zoals opgenomen in bijlage 1 van deze verordening. 2.. Een individuele voorziening wordt niet verstrekt indien uit het onderzoek van het college blijkt dat de jeugdige of diens ouder(s) – al dan niet met inzet van het sociale netwerk of van andere (hulpverlenende) instellingen – voldoende in staat zijn om de noodzakelijke hulp te organiseren die aansluit bij de hulpvraag. 3.. Tot het sociale netwerk worden gerekend: familieleden, vrienden, kennissen en andere betrokkenen die van betekenis zijn voor, en bijdragen aan, het welzijn en welbevinden van de jeugdige of diens ouder(s). 4.. Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in ieder geval het benutten van een aanvullende zorgverzekering, indien een dergelijke verzekering is afgesloten. 5.. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen neemt het college, mede gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het veilig en gezond opgroeien van jeugdigen in de eerste plaats bij de ouder(s) ligt. Dit geldt ook in geval van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen. De benodigde hulp wordt in beginsel geacht door de ouder(s) zelf te worden geboden. Uit het onderzoek kan echter blijken dat deze mogelijkheden tekortschieten, indien sprake is van: geobjectiveerde beperkingen die het leveren van noodzakelijke hulp verhinderen; een gebrek aan kennis of vaardigheden om de noodzakelijke hulp te bieden; of overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor redelijkerwijs niet van de ouder(s) kan worden verwacht dat zij de noodzakelijke hulp bieden totdat de belasting of dreiging daarvan is opgeheven; een jeugdige van vijf jaar of ouder waarbij 24-uurs toezicht noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig nadeel. Het college kan indien nodig bij de beoordeling hiervan een onafhankelijke deskundige betrekken. 6.. Bij de beoordeling van de situatie als bedoeld in het vijfde lid, onder c, stelt het college tevens vast in hoeverre de ouder(s) mogelijkheden hebben om de (dreigende) overbelasting op te heffen. Daarbij wordt redelijkerwijs verwacht dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren. In deze beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met: de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van maximaal drie maanden per jaar niet leidt tot overbelasting; de planbaarheid van de noodzakelijke hulp; de benodigde ondersteuningsintensiteit; de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; de noodzaak voor de ouder(s) om in een inkomen te voorzien.

Rechtspraak bij dit artikel