Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.5

Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp Leudal 2026

1.. Wanneer bij het college een aanvraag voor een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige of diens ouder(s), dan wel diens wettelijke vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk – maar uiterlijk binnen zes weken – een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zevende lid. Het college maakt daarbij zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. De intake maakt onderdeel uit van het onderzoek. Gedurende het onderzoek kunnen de jeugdige of diens ouder(s), dan wel diens wettelijke vertegenwoordiger, in overleg met het college de aanvraag wijzigen. 2.. Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de wet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 3.. Op het moment dat de jeugdige of zijn ouders de aanvraag intrekt, dan wordt dit schriftelijk door het college bevestigd. 4.. Het college onderzoekt wanneer een jeugdige of een ouder of een wettelijk vertegenwoordiger zich meldt met een vraag over de jeugdhulp in samenspraak met de jeugdige of zijn ouders: Wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan; De behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en zijn gezinssituatie; Of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen, en zo ja: Welke problemen of stoornissen dat zijn; Welke ondersteuning, hulp en zorg nodig zijn voor de jeugdige om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau; Of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en de personen die tot hun sociale omgeving behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden; en Voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg; Hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en Indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. 5.. Als de jeugdige of zijn ouders een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt het college dat bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel als mogelijk betrokken en gehoord. 6.. Het college informeert de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. 7.. De jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel