Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 11.

Artikel 26.

Uittreding

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Regio De Baronie

1.. Een deelnemer kan uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van een daartoe strekkend besluit van het college van burgemeester en wethouders. 2.. De opzegging geschiedt met in achtneming van een opzegtermijn van één kalenderjaar. 3.. De uittreding vindt plaats op 1 januari na het verstrijken van de opzegtermijn. 4.. Een uittredende gemeente betaalt in de jaren na het moment van uittreding een afnemend percentage van de algemene bijdrage per inwoner die in de meerjarenbegroting van het openbaar lichaam is voorzien. De afbouw gebeurt als volgt: In jaar 1 na uittreding: 100% In jaar 2 na uittreding: 66% In jaar 3 na uittreding: 33% 5.. Een uittredende gemeente is volledig gehouden aan de verplichtingen die het openbaar lichaam op basis van een expliciet besluit van (onder andere) deze gemeente is aangegaan. De uittredende gemeente betaalt de organisatiekosten die met deze verplichting gemoeid zijn tot het moment van afloop van de verplichting. 6.. Boven op de kosten als bedoeld in het vierde lid van dit artikel worden afspraken gemaakt tussen deelnemende gemeenten over de kosten als gevolg van het stoppen van het meedoen aan coalitie- en ingroeithema’s als bedoeld in artikel 22, vierde lid. 7.. Tot aan de datum van de uittreding behoudt de uittredende deelnemer alle rechten en verplichtingen die verbonden zijn aan de gemeenschappelijke regeling. 8.. Het algemeen bestuur regelt na overleg met de betrokken gemeente, onder mededeling aan Gedeputeerde Staten, de financiële verplichtingen, alsmede de overige gevolgen van de uittreding. Daarbij brengt het algemeen bestuur in elk geval de financiële consequenties van de voorgaande bepalingen in beeld. Het algemeen bestuur kan in overeenstemming met de uittredende gemeente in voorkomende gevallen afwijken van de leden 2 tot en met 5. 9.. De uittredende gemeente kan geen aanspraak maken op gevormde reserves. 10.. De uittredende gemeente kan geen aanspraak maken en ook niet aangesproken worden op een positief respectievelijk negatief rekeningresultaat, vanaf het boekjaar dat voorafgaat aan het moment van uittreding.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel