Naar hoofdinhoud

Artikel 2.

Uitgangspunten Jeugdhulp (algemeen afwegingskader)

Onderdeel van Nadere regels en beleidsregels Jeugdhulp gemeente Oudewater 2026

1.. De gemeente is wettelijk verplicht om de identiteit vast te stellen van de personen aan wie de gemeente een dienst verleent. Dat geldt ook voor inwoners die zich melden met een hulpvraag. Daarom wordt aan inwoners (vanaf de leeftijd van 14 jaar) gevraagd naar een geldig legitimatiebewijs, als bedoeld in artikel 1 van de wet op identificatieplicht. 2.. In de visie van de gemeente Oudewater hebben inwoners (volledig) de regie bij het vormgeven van hun leven. Jeugdigen zitten niet in diezelfde positie. 3.. De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf: de eigen kracht staat centraal. Ouder en jeugdige moeten alles doen wat in hun vermogen ligt. De eigen kracht van de jeugdige heeft dus betrekking op de mogelijkheden van de jeugdige en ouder om zelf bij te dragen aan het verbeteren van zijn situatie. Het wordt als normaal gezien om je in te spannen om je eigen situatie te verbeteren. Daarbij heeft de gemeente de verantwoordelijkheid om te bevorderen dat inwoners en hun omgeving hun eigen probleemoplossend vermogen benutten en versterken. Het Stadsteam wijst de jeugdige en ouder op het aanbod dat er is in de Sociale basis. 4.. Pas als zij niet in staat zijn om de beperkingen en belemmeringen op eigen kracht of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk te verminderen of op te lossen kan aanspraak gedaan worden op de Jeugdwet. 5.. Alle inwoners van Oudewater krijgen gelijke toegang tot de jeugdhulp. O.a. sociale en etnische afkomst, opleidingsniveau en mondigheid maken hierin geen verschil. 6.. Onafhankelijk van het feit of een jeugdige is aangemeld door de ouder of op een andere manier, blijft de aanpak dat eerst in gesprek (met het Stadsteam) met de jeugdige en ouder de eigen kracht en de bijdrage die het eigen netwerk kan leveren wordt verkend voordat specialistische hulp wordt ingezet. 7.. Als de aanvraag door één van de ouders is ingediend, zal er tijdens de kennismaking altijd gevraagd worden naar de andere ouder. Volgens het burgerlijk wetboek heeft iedere juridische ouder (ongeacht of deze het gezag heeft) informatierecht en consultatierecht. Dit houdt in dat beide juridische ouders altijd op de hoogte gesteld worden van de betrokkenheid van het Stadsteam. De gezag dragende ouder informeert de ouder zonder gezag over deze betrokkenheid. Het Stadsteam mag deze informatie over de jeugdige alleen delen met de andere ouder wanneer dit in het belang van de jeugdige is en de jeugdige zich hier niet tegen verzet. Daarnaast mag een juridische ouder zonder gezag informatie opvragen bij het Stadsteam (consultatie). Het Stadsteam mag alleen informatie van de jeugdige delen met de ouder als dat in het belang is van de jeugdige. 8.. Wanneer een juridisch ouder ongeacht het gezag het niet eens is met de aanvraag, mag de jeugd- en gezinswerker de aanvraag wel verder in behandeling nemen. Maar de jeugdhulp kan alleen worden gestart met de toestemming van allebei de gezaghebbende ouders, behoudens wettelijk vastgelegde uitzonderingsgronden. 9.. In situaties waarin de veiligheid van de jeugdige of de ouder in het geding is, wordt op grond van de situatie beoordeeld met welke gezinsleden informatie wordt gedeeld en waar geheimhouding vereist is. Dit alles binnen de grenzen van de wet. 10.. Om jeugdhulp te kunnen krijgen, wordt van zowel de jeugdige zelf als ouder de nodige medewerking verwacht. Van de jeugdige en/of ouder wordt gevraagd om gegevens te verstrekken die nodig zijn voor een goede beoordeling van de hulpvraag en dat zij zo goed mogelijk meewerken aan een daarvoor benodigd onderzoek. Als de jeugdige en/of ouder niet of onvoldoende meewerken aan het onderzoek, zal de jeugd- en gezinswerker een besluit nemen op basis van de gegevens waarover het wel kan beschikken. Het kan zijn dat door het ontbreken van informatie niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een noodzaak tot jeugdhulp of dat er geoordeeld wordt dat een andere vorm van jeugdhulp nodig is dan die de jeugdige en/of ouder hebben gevraagd. In dat geval kent het college alleen die vorm van jeugdhulp toe en wijst de gevraagde jeugdhulp af. 11.. Van de jeugdige en/of ouder wordt bovendien verwacht dat zij de jeugd- en gezinswerker informeren over nieuwe feiten of omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van de benodigde jeugdhulp. 12.. Het uitgangspunt is dat de jeugdige tijdens een onderzoek wordt gezien en gesproken. Afwijkingen van dit uitgangspunt dienen gemotiveerd te worden in het ondersteuningsplan. 13.. Het versterken van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen staat voorop bij het verlenen van maatwerkvoorzieningen. Dit betekent ook dat het college eerst kijkt of dat met ondersteuning aan de jeugdige en/of het gezin vanuit de Sociale basis kan worden bereikt, wat kan er informeel aan ondersteuning ingezet worden en wat formeel. Jeugdhulp voor de jeugdige kan worden gecombineerd met de inzet vanuit de Sociale basis (informeel). 14.. Om te zorgen dat ouders hun rol als verzorgers en opvoeders kunnen blijven vervullen kan een maatwerkvoorziening worden verleend om ouder (het gezin) tijdelijk te ontlasten als dat nodig is. Bijvoorbeeld kortdurend verblijf, logeren of een andere vorm van jeugdhulp die gericht is op het tijdelijk ontlasten. 15.. Het college kan besluiten dat geen jeugdhulp wordt verleend omdat de gevraagde hulp volgens het college niet noodzakelijk is.

Rechtspraak bij dit artikel