4.6.5.1 Scootmobiel
Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte sta- loopfunctie. De scootmobiel is bedoeld voor lokale verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera.
Een scootmobiel wordt enkel verstrekt als:
Er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers;
De client een beperkte loopafstand heeft en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel;
Er niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals met een hand- of duwstoel of een aangepaste (niet algemeen gebruikelijke) fiets;
Het CVV alleen niet in de lokale vervoersbehoefte kan voorzien (geen passende bijdrage);
De client zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen (eventueel vaststellen met rijvaardigheidstest);
Er een mogelijkheid is om de scootmobiel te stallen en op te laden.
Stalling van de scootmobiel
Het stallen van vervoersvoorzieningen, zoals een scootmobiel, moet op een adequate wijze gebeuren. Bij verstrekking in natura (bruikleen) vloeit de verplichting voort uit de bruikleenovereenkomst. Het college kan met de leverancier overleggen wat adequaat stallen inhoudt. Een adequate stalling is in ieder geval: overdekt en droog. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden. Om diefstal of vernieling te voorkomen kan een afgesloten stalling nodig zijn. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan als adequaat worden beschouwd. In de stallingsruimte kan een oplaadpunt nodig zijn. Ingeval van een pgb geldt de voorwaarde van een adequate stalling vanzelfsprekend ook.
Eigen mogelijkheden
Het college onderzoek of de client zelf mogelijkheden heeft om hier zorg voor te dragen door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings)ruimte (CRVB:2016:429). Het stallen van een scootmobiel in bijvoorbeeld de hal is een acceptabel alternatief voor het realiseren van een adequate stalling of het verbreden van een tuinpoort (CRVB:2023:1642). Dat is anders als de client bijvoorbeeld de hal niet in kan rijden of er met een gestalde scootmobiel geen voldoende ruimte is om deze te kunnen passeren. Heeft de client geen mogelijkheden tot het stallen van de voorziening, dan valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht van het college.
4.6.5.2 Elektrische fiets
Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid, door te willen blijven fietsen, is voor de Wmo 2015 niet relevant (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446). Dat betekent ook dat een noodzaak voor het verstrekken van een elektrische fiets afhankelijk is van de mogelijkheid zich te verplaatsen op een gewone fiets waarmee wordt voorzien in de vervoersbehoefte. Heeft een cliënt een medisch gelimiteerde inspanningscapaciteit of lichamelijke beperkingen, zoals krachtsverlies, waardoor hij met een gewone fiets niet kan voorzien in de noodzakelijke vervoersbehoefte, dan kan een elektrische fiets aangewezen zijn (CRVB:2021:1595). Maar het college beoordeelt ook of de gewenste elektrische fiets de goedkoopst passende bijdrage is. Een scootmobiel kan namelijk goedkoper zijn.
4.6.5.3 Driewielfietsen en andere bijzondere fietsen
Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen. Denk bijvoorbeeld aan driewielfietsen of handbikes. Driewielfietsen worden speciaal gebruikt door de cliënt met beperkingen op evenwichtsgebied of een gestoorde motoriek. Dergelijke beperkingen maken het gebruik van een normale fiets (al dan niet met hulpmotor) onmogelijk of ten minste onveilig. Om aanspraak te maken op een bijzondere fiets gelden in principe dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel. Verder geldt dat een normale kinderdriewieler voor kinderen tot 4 jaar in ieder geval als algemeen gebruikelijke voorziening wordt beschouwd en daarom niet voor verstrekking in aanmerking komt gelet op de hoogte van de kosten.
Een driewielfiets kan in uitzonderlijke gevallen als maatwerkvoorziening worden verstrekt als dit noodzakelijk is voor het behouden of vergroten van de zelfredzaamheid of participatie van de client. Het uitgangspunt is dat een scootmobiel doorgaans de goedkoopst adequate oplossing is voor vervoersproblemen. Een driewielfiets, in welke vorm dan ook, wordt alleen overwogen wanneer:
Een scootmobiel niet geschikt of niet bruikbaar is voor de cliënt, en
De driewielfiets noodzakelijk is om dagelijkse sociale activiteiten te kunnen blijven uitvoeren. Het bevorderen van beweging of een gezonde leefstijl is geen op zichzelf staand doel van de Wmo en vormt daarom geen grond voor verstrekking van een driewielfiets.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.6.5
Individuele vervoersvoorzieningen
Onderdeel van Beleidsregels Jeugdhulp en Wmo 2026 gemeente Geldrop-Mierlo