Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5.4

Afschrijvingstermijnen

Onderdeel van Nota waardering en afschrijving gemeente Kampen

Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur, rekening houdend met een eventuele restwaarde. Verwachte toekomstige gebruiksduur De afschrijvingstermijn dient zo goed mogelijk aan te sluiten op de feitelijke waardedaling dan wel het feitelijke gebruik van het actief. De verwachte levensduur van activa is de bepalende factor voor de te hanteren afschrijvingstermijn. Bij het bepalen van de afschrijvingstermijn is het belangrijk de grondslag stelselmatig te bepalen. Dit houdt in dat de gemeente zoveel mogelijk van het ene op het andere jaar dezelfde grondslagen gebruikt. Alleen als er gegronde redenen zijn mag de wijze van waarderen en afschrijven worden veranderd. Verder houdt dit vereiste in dat gelijksoortige activa gemeentebreed op dezelfde wijze worden gewaardeerd en afgeschreven. Dit komt tot uitdrukking in een tabel met voorgeschreven afschrijvingstermijnen, die als bijlage 2 bij deze nota is opgenomen. Dit levert het volgende uitgangspunt op: 10. De gemeente Kampen hanteert afschrijvingstermijnen zoals deze zijn opgenomen in bijlage 2 van deze nota. Bij de periodieke herziening van deze nota kan de tabel worden aangevuld met nieuwe soorten activa. Technische en economische levensduur Bij de waardedaling van vaste activa moet rekening gehouden worden met de technische en economische levensduur (of gebruiksduur). De technische levensduur is de periode dat de activa technisch in staat zijn om te worden gebruikt. De economische levensduur is de periode waarbij naar schatting de totale kosten van gebruik van het actief het laagste zijn (dus kapitaallasten en de onderhoudskosten). Zo kunnen de onderhoudskosten na een bepaalde periode dermate hoog worden dat vervanging van het actief goedkoper is dan doorgaan met het bestaande actief, terwijl het actief technisch nog wel bruikbaar is. Indien de technische levensduur langer is dan de verwachte economische levensduur, dan wordt voorzichtigheidshalve de economische levensduur gehanteerd (conform de bepalingen van de BBV). Dit levert de volgende uitgangspunten op: 11. Conform het voorzichtigheidsprincipe en de regelgeving vanuit BBV hanteert de gemeente Kampen de economische levensduur ter bepaling van de verwachte toekomstige gebruiksduur. 12. De verwachte toekomstige gebruiksduur wordt door de gemeente Kampen gelijkgesteld aan de economische levensduur van een actief. Hanteren restwaarden De gemeente Kampen hanteert restwaarden voor de afschrijving op nieuwe (nieuw aan te kopen en te realiseren) en circulaire gebouwen. Ter bepaling van de juiste restwaarde wordt de componentenmethode toegepast. De componentenbenadering toegepast op een gebouw leidt tot de volgende componenten: Grond onder en om het gebouw Casco van het gebouw Installaties Liften Inventaris Op grond wordt niet afgeschreven en het casco van een gebouw wordt veelal in 40 jaar afgeschreven. Het casco heeft aan het einde van de gebruiksperiode meestal nog een verkoopwaarde (restwaarde). De installaties, liften en inventaris hebben aan het eind van gebruiksperiode een beperkte of geen waarde meer dan wel een negatieve waarde (sloopkosten). Voor beide typen gebouwen wordt een restwaarde van 15% op het casco van het gebouw toegepast. Dit is binnen gemeenteland een doorgaans gangbaar percentage. Uitzonderingen op deze methodiek zijn de monumentale gebouwen. Volgens de financiële verordening worden alle panden, inclusief monumentale panden, in 40 jaar afgeschreven. Meestal zijn deze langer dan wel onbeperkt in gebruik. Veel rijks- c.q. gemeentelijke monumentale gebouwen in Kampen voldoen aan dit criterium. Bij deze gebouwen gaat het meer over het in standhouden van de gebouwen en het op termijn middelen beschikbaar hebben om duurzame levensduur verlengende investeringen te kunnen uitvoeren naast het budget voor het (groot) onderhoud. De lasten voortvloeiende uit de duurzaam levensduur verlengende investeringen kunnen geheel of gedeeltelijk worden gedekt uit de vrijval van kapitaallasten aan einde van de reguliere afschrijvingsperiode. Op basis daarvan hanteren we voor monumentale panden niet de restwaardemethode. Dit levert de volgende uitgangspunten op: 13. We hanteren een restwaarde van 15% van de waarde van het op nieuw aangekochte of te realiseren en circulaire gebouwen casco 14. Voor monumentale panden hanteren we geen restwaardemethode.

Rechtspraak bij dit artikel