Onder de vorige wetgeving kon een sportvoorziening worden verstrekt. Onder de Wmo 2015 gaat het om zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Wanneer alleen het beoefenen van sport leidt tot maatschappelijke participatie, zou een sportvoorziening verstrekt kunnen worden. Uitgangspunt hierbij is dat men zelf verantwoordelijk is voor de aanschaf van zaken die nodig zijn bij sportbeoefening.
Algemeen gebruikelijk zijn de kosten van reguliere sportbeoefening:
lidmaatschap van een sportvereniging of toegangskaart voor bijvoorbeeld een zwembad;
reiskosten naar de sportvereniging en wedstrijden;
sportkleding.
Omdat de sportvoorziening moet bijdragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie, kan een sportvoorziening alleen worden verstrekt als de sport regelmatig wordt beoefend en in verenigingsverband. Voor sporten die slechts incidenteel worden beoefend, zoals skiën en snowboarden tijdens vakanties, is geen sportvoorziening mogelijk.
De sportvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten en wordt maximaal eens in de 3 jaar verstrekt voor de aanschaf, het onderhoud en reparaties van de voorziening (maximaal bedrag staat in het Besluit Wmo Culemborg). Met het bedrag kan de cliënt voorzien in de meerkosten van de sportbeoefening die hij heeft ten opzichte van een persoon zonder beperkingen. Bijvoorbeeld doordat hij een sportrolstoel nodig heeft, een eigen aangepast paardrijzadel of een prothese voor atletiek. Ook kunnen met de tegemoetkoming, aanpassingen aan reguliere sportvoorzieningen worden betaald.
De cliënt maakt in zijn zorg- en budgetplan aantoonbaar wat de meerkosten voor hem zijn. Indien de cliënt niet in staat is een sportvoorziening, zoals een sportrolstoel, zelf aan te schaffen, kan hij hierbij worden ondersteund vanuit de gemeente.
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 5.5.
Artikel 5.5.4
Sportvoorziening
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Culemborg 2026