Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.4

Artikel 2.4.3

Bovenwijkse voorzieningen

Onderdeel van Nota Kostenverhaal en Financiële Bijdragen gemeente Stein

Bovenwijkse voorzieningen zijn – kort gezegd - voorzieningen van openbaar nut waarvan het nut zich uitstrekt over een groter gebied dan een bepaalde ontwikkeling en waarvan de kosten daardoor niet geheel ten laste van die ontwikkeling behoren te komen. Het gaat hierbij voornamelijk om infrastructurele werken en maatregelen. Het gaat om voorzieningen die van nut zijn voor meerdere gebieden, zoals bijvoorbeeld een verbindingsweg. Naast het ten dienste staan aan nieuwe gebieden kunnen ook bestaande gebieden gedeeltelijk profijt hebben van een voorziening. Een bovenwijkse voorziening is meestal buiten het kostenverhaalsgebied gesitueerd, maar kan ook (gedeeltelijk) daarbinnen liggen. Het kan gaan om bijvoorbeeld een nieuwe voorziening, de aanpassing van een bestaande voorziening of reeds gerealiseerde voorzieningen vooruitlopend op ontwikkelingen. Kosten voor bovenwijkse voorzieningen zijn afdwingbaar bij exploitanten. Voor het publiekrechtelijke kostenverhaal in een omgevingsplan gelden daarbij de criteria profijt, toerekenbaarheid en proportionaliteit. In de anterieure fase gelden deze criteria niet rechtstreeks. Profijt. De locatie moet nut ondervinden van de te treffen maatregelen c.q. gebaat zijn door de investeringen, werken en voorzieningen. De genoemde kosten kunnen slechts worden verhaald voorzover de ontwikkeling er profijt van heeft. Toerekenbaarheid. Er moet een causaal verband bestaan tussen de gebiedsontwikkeling en de te maken kosten voor de maatregelen, voorzieningen en werken. Met andere woorden de kosten worden mede ten behoeve van dat plan gemaakt. Proportionaliteit. Indien meerdere gebieden of ontwikkelingen profijt hebben van een werk, maatregel of voorziening dienen de kosten naar rato van profijt te worden verdeeld. Voor voorzieningen waarbij de investering in of aanpassing aan de openbare ruimte volledig veroorzaakt wordt door een ontwikkeling of kostenverhaalsgebied zijn de kosten voor 100% toerekening en vindt doorbelasting plaats aan de betreffende ontwikkeling c.q. het betreffende kostenverhaalsgebied. Het gaat dan om gebiedseigen kosten, zoals hierboven reeds is toegelicht. Voor kostencomponenten binnen het plangebieden moet dus worden bepaald of ze wel voor 100% toerekenbaar zijn. En voor kosten buiten de plangrens moet het proportionele percentage worden bepaald dat aan het plangebied wordt toegerekend. In het hierboven beschreven voorbeeld is op basis van verkeerskundig onderzoek berekend dat 7,5% van de kosten kan worden toegerekend aan de nieuwe gebiedsontwikkeling. De kosten voor bovenwijkse voorzieningen zijn op twee manieren in rekening te brengen. Op basis van de concrete investering in bijvoorbeeld een doorgaande ontsluitingsweg of een rotonde en een toetsing met behulp van de criteria profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid (PTP). Dit dient dan per geval in een anterieure overeenkomst (privaatrechtelijk) of een omgevingsplan (publiekrechtelijk) als zodanig te worden bepaald en opgenomen. Als de toerekening van kosten aan bepaalde investeringen op het moment van opmaken van het plan nog niet duidelijk zijn, dan kan de verdeling ook in de toekomst plaatsvinden als het concreter is geworden. Nadat de kosten op basis van de PTP-criteria aan het plan als geheel zijn toegerekend dienen deze over de verschillende bouwactiviteiten te worden verdeeld naar rato van de opbrengsten. Een eigenaar die op zijn perceel alleen sociale huurwoningen kan realiseren draagt minder bij dan een eigenaar die allemaal vrije sector woningen kan realiseren omdat de grondopbrengst onder een sociale huurwoning lager is dan onder een vrije sector woning. Dit is het principe van binnenplanse verevening en staat bekend als het draagkrachtbeginsel (de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten). Op basis van een bijdrage ten behoeve van alle te realiseren bovenwijkse voorzieningen, zoals die o.a. zijn opgenomen in de gemeentelijke begroting. Deze bijdrage is voor elke bouwlocatie bepaald op basis van de mate van profijt en toerekenbaarheid. Deze manier kan op basis van de Omgevingswet alleen worden toegepast via een anterieure overeenkomst. Ook hierbij zal het draagkrachtbeginsel worden toegepast, zodat woningcategorieën met een lagere grondopbrengst minder bijdragen dan categorieën met een hogere grondopbrengst. Gezien de voorkeur voor het anterieur contracteren vormt de bovenstaande werkwijze onder punt 2 de basis, waarbij algemene bijdragen voor de hele gemeente gehanteerd worden (vaste bedragen), tenzij er op basis van de wijkindeling van de Transformatievisie Wonen significante verschillen zouden blijken. Indien geen overeenstemming wordt bereikt over de anterieure overeenkomst, dan zal een specifieke berekening de basis vormen, die via het omgevingsplan publiekrechtelijk wordt verhaald. Voor de doorbelasting van bovenwijkse voorzieningen aan de gemeentelijke grondexploitaties geldt dat de regels van de BBV-voorschriften in acht moeten worden genomen.

Rechtspraak bij dit artikel